goede week wo

naar psalm 69,8-10.21b-22.31.33-34

Jes.50,4-9a         Mt. 26,4-25

 

Omdat Ik weet

hoe groot Jouw liefde is voor de mensen

heb Ik het doorstaan.

Voor hen heb ik alle smaad en pijn geleden,

heb ik mijn rug aangeboden,

wetend dat Jij er bent.

Ook al kon ik niet meer en riep naar Jou in verlatenheid.

Een misdadiger werd ik, overgeleverd,

zelfs mijn tafelgenoten waren verbijsterd.

’s Avonds had ik nog met hen gegeten,

nu waren ze gevlucht.

Verraden door een broer voor dertig zilverstukken,

niet eens goud…

Mijn gehechtheid aan Jou verweten ze me,

aan wreedheden ben Ik overgeleverd

omwille van Jouw liefde.

 

Verraad en onbegrip grijpen me naar het hart,

niet te harden, niet meer menselijk.

En toch richt ik mijn ogen naar Jou

en voel me, ik Mensenzoon, helemaal verlaten.

Gif deden ze in mijn eten,

Paasmaal werd gekruid met verraad.

Bitterheid is mijn drank, verlatenheid…

 

Wie durft mij aan te klagen?

Beter was je niet geboren!

Wie brengt me tot de dood?

God is mijn helper!

 

Hij is mijn helper,

Hem zal ik loven!

Kijk dan! Zie op!

Schep moed: dra zal Ik leven!

God is bondgenoot van de arme, van Mij.

Het kruis zal niet het laatste zijn!

Advertenties

Palmzondag vrij

naar psalm 24,3-10

 

Wie mag de stad binnenkomen,

gezeten op een ezelsjong?

Wie mag feestelijk binnengehaald worden

met palmtakken toegezwaaid?

 

Hij is het die geen zonde heeft begaan.

Die verbonden met Zijn Vader Blijde Boodschap bracht.

Hij is het die nieuw leven gaf

aan mensen aan de kant.

Hij is het die getuigde met woord en daad

van gerechtigheid en liefde,

van God die verlossing brengt.

 

Gezegend is Hij,

zegen brengt Hij!

 

Stadspoorten, sta wagenwijd open!

Daar is de Messias!

Wie is toch die Messias?

Het is Jezus, mens geworden liefde!

Jezus die aantreedt in Jeruzalem!

 

Stadspoorten, sta wagenwijd open!

Daar is de Messias!

Wie is toch die Messias?

Het is Jezus, mens geworden liefde!

Jezus die aantreedt in Jeruzalem!

Palmzondag

naar psalm 22,8-9.17-19

Jes. 50,4-7          Filip. 2,6-11

 

Mijn rug bood Ik aan wie mij sloegen,

mijn gezicht aan wie met Mij de spot dreven.

Gelijk geworden aan mensen werd Ik vernederd.

Ze lachten met grijnzen:

“De Heer is toch met Hem?”

Ze rukten Mijn baard uit, die meute honden.

Ik werd in straf vernederd tot ter dood.

Mijn handen en voeten verbonden met het kruis,

een lijdende dienaar ben Ik geworden,

vel over beenderen.

Zie ze lachen en dobbelen om mijn kleren!

 

Mijn God, met Jou verbonden,

met Jou hoog geheven:

Wees Mij nabij.

Jouw Naam zal ik loven,

ontledigd

zal mijn Naam verbonden worden

met die van Jou.

Elke knie zal buigen

tot eer aan God die Mij nabij is.

Volk naar Mij genoemd

zal samen komen en hun dank uitroepen.

 

Volk die draagt Zijn Naam:

breng Hem je dank!

psalm voor mij 71

0 toevoeging van de LXX vertaling:

Van David, van de zonen van Jonadab en de eerste verbannenen.

1 Bij Jou, Nabije, koester ik me.

Laat me niet in schaamte, nooit.

2 In Jouw rechtscheppen red en bevrijd mij.

Breng Je oor naar mij en verlos mij.

3 Wees voor mij een veilige hoogte, een onderkomen om in te gaan, voortdurend.

Jij gaf opdracht om mij te bevrijden, want Jij bent mijn veilige hoogte en vesting.

4 Mijn Drager, laat me vrij uit de hand van de stukmaker,

uit de hand van de onbetrouwbare slechterik en de beestachtige grijper.

 

5 Want Jij, mijn hoop, mijn Heer, Nabije,

mijn vertrouwen van kindsbeen af.

6 Op Jou steun ik vanuit de buik vanuit de moederschoot.

Jij, mijn grond. In Jou en door Jou mijn dankzeggingen voortdurend.

7 Echt, als een uitblinkende heenwijzing ben ik voor velen,

Jij, mijn kracht en bescherming.

8 Is vol mijn mond van Jouw dankzeggingen

de dag door met Jouw innemende schoonheid.

 

9 Werp me niet weg nu ik oud word.

Bij het wegvallen van mijn kracht, Jij, verlaat me niet!

10 Want zeggen mijn tegenstrevers over en tegen mij,

en die over mijn innerlijke waken bedisselen ondereen.

11 Ze zeggen: “Drager verliet hem.

Jaag hem op en grijp hem want er is geen bevrijder.

12 Drager, wees niet ver van mij, mijn Drager, kom te hulp, met haast.

13 Mogen ze beschaamd worden en ophouden, de tegenstanders van mijn innerlijke.

Laat ze gekleed gaan in smaad en schande, de zoekers van mijn ongeluk.

 

14 Maar ik zal altijd hoopvol uitzien zodat ik kan toevoegen aan Jouw dankzeggingen.

15 Mijn mond zal vertellen van Jouw gerechtigheid,

heel de dag van Jouw reddende nabijheid.

Hoewel ik niet besef hoeveel er te vertellen is.

16 Ik zal komen in de sterkte van mijn Heer.

Nabije, ik zal vertellen van Je gerechtigheid alleen van die van Jou.

17 Drager, Jij gaf mij levenslessen van jongs af aan

en tot op vandaag verkondig ik Je wondere daden.

18 En zelfs in ouderdom en met grijze haren, Drager,

laat me niet achter zodat ik zal verkondigen Jouw kracht

aan de volgende generatie, aan ieder die geboren wordt: Jouw kracht.

19 En Jouw gerechtigheid, Drager, verheven deed Je grootse daden.

Drager, wie is zoals Jij?

20 Dat Je me liet zien vele beklemmingen en tegenslagen.

Keer Je om, breng ons weer leven.

En vanuit de afgrond van de aarde zul Jij terugkeren, Jij zult me weer op laten gaan.

21 Je zal doen groeien mijn waardigheid en Je zal me omgeven en Jij zal me troosten.

22 Ook ik, ik zal Je dankend erkennen bij het getokkel op de lier van Jouw trouw, Drager.

Ik zal psalmen zingen voor Jou met de harp, Heilbrenger van Israël

23 Zullen in vreugde verheffen mijn lippen

als ik voor Je psalmen zal zingen: En mijn innerlijke heb Jij bevrijd.

24 Ook mijn tong zal de gehele dag mompelen van Je gerechtigheid

omdat ze beschaamd omdat van eer ontdaan werden die zochten naar mijn ongeluk.

herverpsalmen 35a

God, vergeef ze, ook al komen zij daar niet toe!

Sta me bij. Geef me Uw woord.

Zonder reden, zomaar, willen ze me doen vallen.

U bent toch de God die schreeuwt:

“Doe recht!

Mijn lievelingen zijn de arme en de zwakke!”

Met valse getuigen,

achter ieder woord het verkeerde zien,

zo word ik aangevallen.

Ik blijf bidden,

ik zou het geen mens aandoen…

Mensen zien toch graag koppen vallen.

Sta dit toch niet langer toe!

Ik zal blijvend getuigen van Uw liefde!

Kom mij toch te hulp!

Ik wens slechts vrede en gerechtigheid!

herverpsalmen 22c

“Eloi”, de roep van Jezus  klinkt door merg en been,

Geen ongeloof maar diep vertrouwen.

Gemarteld, beschimpt, eenzaam aan het kruis, hangend tussen anderen.

Met open ogen, een schreeuw.

“Jij was toch altijd nabij, kom Mij te hulp!”

Door bloedruikende honden,

lachende hyena’s omsingeld.

Gedobbeld om zijn kleren.

Hij zal verrijzen!

Die naar Hem opzien zullen zich buigen.

Het kwaad wordt overwonnen.

Tot aan het einde van de aarde

zal Zijn Blijde Boodschap weergalmen.

Zingen zal de hele mensheid:

Alle levenden,  alle kinderen van de Vader.

herverpsalmen 22a

De Heer bidt samen met ons:

Mijn God, waarom voel ik me zo verlaten?

Waarom blijf ik in mijn ellende?

Jij bent toch de nabije God?

Ik voel me zo leeg, zo nietig, niet meer dan een worm…

Jij hebt me toch het leven gegeven?

Jij bent toch ook vandaag mijn levensbron?

Ik kan niet meer,

ik ben ingesloten, afgesloten,

de dood lonkt naar me.

Als was is mijn hart,

mijn benen kunnen mij haast niet meer dragen.

Nu ik nog hier ben, bespreken ze al hun erfenis.

Ach, wees toch bij mij.

Red mij uit mijn ellende.

Zelfs nu zing ik Jouw lied:

Aan armen breng Jij de Blijde Boodschap.

Eens mag ik in Jouw eeuwigdurende liefde zijn.

Bij Jou is toekomst.

Ik getuig: Jij zal volbrengen.

Ik weet: Je hebt volbracht!

herverpsalmen 7b

Vader, ik vertrouw me aan Je toe.

Wees mijn redder.

Ze zouden me verscheuren.

Ze veroordelen me

omdat ik voor Je opkom.

Doe mij weer opstaan: rechtop, in mijn recht!

Jij, mijn toeverlaat, hand boven mijn hoofd,

laat Jouw Geest ook over ons neerdalen

Doe ze ophouden en inzien

hoezeer ze verstrikt zijn in het kwaad.

Jou wil ik prijzen, mijn redder, altijd mij nabij…