elke psalm met telkens een evangelietekst…

1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
Mt. 7,13-14
Mt. 3,17
Mt. 6,25-34
Lc. 9,1-2
Joh. 1,23
Mt. 7,23
Joh. 17,25
Mt. 21,16
Lc. 21,25-26
Lc. 16,19 ev
Mt. 23,23
Mt. 11,26
Lc. 1, 47
Mt. 7,13-16
Joh. 10, 22 ev
Mt. 26,20 ev
Joh. 9,1 ev
Lc. 1,67 ev
Mt. 11,25-27
Mc. 11,24
Lc. 24,4-6a
Mt. 27,33-47
Joh. 10,14
Mt. 5,8
Lc. 18,13
Lc. 23,13-14
Joh. 1,4-5
Lc. 1,68-72
Joh. 12,49
Joh. 11,41-44
Lc. 23, 46
Lc. 15,21-24
Joh. 1,1
Joh. 19,37
Joh. 15,25
Joh. 4,10
Mt. 5,5
Lc. 7, 37-38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
60
61
62
63
64
65
66
67
68
69
70
71
72
73
74
75
Lc. 23,9
Lc. 24,5-8
Joh. 13,18
Joh. 4,11
Mt. 16,21
Mt. 12,21
Lc. 4,22
Mc. 4,38-39
Mt. 28,18-20
Mt. 5,35
Lc. 9,24-25
Mt. 9,13
Lc. 18,1-5
Mt. 7,19
Mt. 7,13-16
Mc. 10,47-52
Mc. 14,20
Mc. 14,36
Joh. 14,25-28
Mc. 9,42
Mt. 5,11
Joh. 9,1-3
Lc. 2,25-30
Lc. 23,46
Mt. 5,6
Mt. 20,17
Mc. 1,11
Lc. 8,39
Mt. 28,18-20
Mt. 21,40-41
Joh. 15,25
Lc. 8,40-42
Joh. 5,5-9
Mt. 2,1-11
Mc. 14,35-38
Mc. 15,16-20
Lc. 1, 52-53
76
77
78
79
80
81
82
83
84
85
86
87
88
89
90
91
92
93
94
95
96
97
98
99
100
101
102
103
104
105
106
107
108
109
110
111
112
113
Mt. 25, 31-33
Joh. 6,18-20
Joh. 6,31
Mt. 18,21-22
Joh. 15,1-2
Mt. 11,28-30
Joh. 10,34
Mt. 26,3-5
Joh. 2,15-17
Lc. 23,34
Mc. 10,46-52
Lc. 2,1-4a
Joh. 1,5
Joh. 12,32-36
Joh. 15,15
Lc. 4,10
Joh. 15,5-6
Mc. 4,39
Lc. 18,7-8
Joh. 14,2-3
Lc. 9,2
Mt. 25,40-41
Lc. 1,54-55
Lc. 9,29-31
Mt. 21,14-15
Lc. 7,3-4
Lc. 16,20-22
Lc. 12,32
Mt. 6,26
Mt. 28,19-20
Mt. 23,29-32
Mt. 8,23-27
Lc. 1,46-47
Joh. 15,25
Mc. 12,35-37
Joh. 14,15
Lc. 6,38
Lc. 1,48-52
114
115
116
117
118
119
120
121
122
123
124
125
126
127
128
129
130
131
132
133
134
135
136
137
138
139
140
141
142
143
144
145
146
147
148
149
150
Mt. 21,19
Mt. 6,24
Mc. 14,23
Lc. 1,68
Mc. 12,10
Mt. 5,17-19
Lc. 4,29-30
Joh. 16,7
Joh. 4,20-21
Lc. 24,50-51
Mc. 4,26-29
Mt. 28,20
Lc. 24,32-33
Lc. 12,28-30
Mt. 7,17
Joh. 16,33
Mt. 1,21
Mt. 18,3
Lc. 1,31-33
Joh. 17,20-23
Mt. 6,5-6
Joh. 4,48
Lc. 15,22-23
Lc. 19,41-42
Lc. 17,16
Joh. 10,14-15
Joh. 7,1
Mt. 6,13
Joh. 5,7
Mt. 26,36
Lc. 12,24
Lc. 11,13
Lc. 7,22-23
Lc. 9,6
Lc. 2,13-14
Mt. 13,47-50
Mc. 14,26

werkvorm om te komen tot een gesprek over de moeilijkste psalmen: met verwensingen…

bril

Titel: zijn psalmen christelijk?

Hoe kijken we naar de werkelijkheid doorheen de psalmen, en is dit kijken christelijk?

linkse vleugel:

  1. Een aantal psalmen zijn waarschijnlijk opgevist uit een andere cultuur. vb: Vervang in psalm 104 God door de zon. Het lijkt opeens een aanbidden van de zon. En de psalm klopt nog…

2. Psalmen zijn doorleefd en zijn verwoordingen van wat mensen toen meegemaakt en ervaren hebben. Doordat psalmen zo doordrongen zijn van werkelijkheid zijn ze echt in hun verwoordingen, soms hard… Stel je voor dat je in de situatie zit van psalm 137… (merk op de kinderen staan tegenover de kinderen van God, met andere woorden: het volk van God, Het gaat dus niet om kinderen). Eigenlijk roept die psalm op om gerechtigheid: voor wat het berooide volk is aangedaan. Het kwade moet verpletterd worden…

3. Die ervaringen hebben tegelijk ook inzicht meegebracht. In psalm 137 ervaren ze dat ze toch Jeruzalem – lees God – niet mogen vergeten.

Psalmen zijn alvast van vóór de historische Jezus

Het linkerglas:

4. In bepaalde psalmen herkennen we christus. a. Omdat hij ze kende en ook bad. b. Omdat er overeenkomsten zijn met zijn leven. Zie psalm 22.

5. Onrecht vernietigen is werken aan vrede. Het is opstanding, weg met wat in de weg staat van “hemels”.In psalm 58 valt mij op dat de slak teniet gaat in eigen slijm. In zijn eigen zever, in zijn eigen kwaad, zijn eigen ijdelheid, het spoor van zijn onrecht. Het kwaad vernietigt zo zichzelf. Loontje komt om zijn boontje. Weg met het slijm en de vuiligheid!

6. Merk op: vernietig het onrecht en niet de mens. Lees die psalmen dus niet als het vernietigen van mensen, wel van het onrecht en de foute kant… In ieder mens zit ook goed. De vraag is in hoeverre je leeft vanuit dat onrecht en er mee vereenzelvigd kunt worden.

Christus en zijn gedachtegoed vind je er zeker in terug.

de neusbrug:

7. In een psalm kun je in de verschillende rollen inleven. Leef je eens in in psalm 109. Jij bent de beklaagde die onrecht wordt aangedaan en valse beschuldigingen over je krijgt. Toch hoop je op de Heer… Of denk eens aan de beschuldigingen en de vooroordelen tegenover groepen mensen… vers 1 tot 5 en vanaf vers 21 hoor je dan de mens die onrecht wordt aangedaan…

Vanuit welk standpunt lees jij een psalm?

Het rechterglas:

8. Er zijn mensen die tegenslagen kunnen verwerken door stem te geven aan hun frustratie en geschreeuw in de psalmen. Het helpt hen om het aan te kunnen en in het dagelijks leven de lasten aan te kunnen.

9. Eigenlijk gaat het ook om jezelf: in jezelf zit de rechtvaardige en de onrechtvaardige. Doorheen die psalmen kunnen je betere jezelf ontdekken en er mee om te gaan.

10. Voor ons kan het leven met onze kleine ongemakken toch heel mooi zijn. Maar er is nog een werkelijkheid die minder mooi is: die van de kansarme, van de mens op de vlucht, met honger, in oorlog. Als we enkel de mooie psalmen lezen sluiten we onze ogen waarin vele mensen moeten leven. Het lezen van die andere psalmen kan ons solidair maken en tegelijk ook wakker voor de werkelijkheid van vele mensen.

Het is dus goed voor ons om ook die ambetante psalmen te lezen.

de rechtervleugel:

11. Doorheen het lezen kom je tot inzicht dat het over jezelf gaat. In psalm 83 is de uiteindelijke wens dat ze schrikken en tot inzicht komen, tot erkenning. (vernietiging komt wel aan bod, maar de zin die volgt is dat ze mogen schrikken.) Het is de hoop dat stukmakers ophouden! Het is tegelijk de spiegel voor ons: dat wij wakker mogen worden en beseffen wat we zelf aandoen. Het is een oproep voor onszelf.

12. Je hoeft niet akkoord te zijn met de psalm zolang die je maar confronteert en dichter brengt bij jezelf, de naaste en God.

Je kunt geen psalmen lezen zonder dat het ook iets aan je leven doet.

aanvulling bij God vrezen

Vrezen is niet enkel geloven

maar ook:

weten dat je gekregen hebt EN verantwoording draagt voor wat je gegeven is.

Vrezen is dus ook bewust zijn van je opdracht en er naar leven.

Geloven schept vrijheid (God ziet je graag)

maar is tegelijk ook een nooit ophoudende oproep.

Vrezen houdt dus toch ook in dat je ter verantwoording wordt geroepen,

dus niet vrijblijvend.

De moeilijkheid van het vertalen.

Vandaag heb ik nog maar de tekeningen gepost voor psalm 62.

Die zijn een aantal jaar geleden gemaakt met bij de hand één vertaling.

Bij het wat bestuderen van die psalm met een vijftal vertalingen op tafel zie ik dat ik nieuwe tekeningen zal moeten maken.

Vers 4 en 5 verschillen nogal wat bij de verschillende vertalingen.

Ik had bij die ene vertaling ook de zin verkeerd verstaan…

De Staten Vertaling spreekt over de vijanden die zullen neervallen.

Vele andere vertalingen spreken over de vijand die een man wil doen vallen als een muur.

Zo een verschillende vertalingen komen nog voor bij de psalmen.

Die oude teksten werden immers telkens overgeschreven toen er nog geen boekdrukkunst bestond.

De tekst waarop men zich baseert om een vertaling te maken kan dus anders zijn dan een andere.

En welke tekst was er het eerst?

Het oudste gevonden document is niet steeds de meest correcte als eerst bedoeld.

Latere geschriften kunnen een trouwere weergave zijn.

Men is nu voor de vijfde maal bezig om te zoeken naar de waarschijnlijk eerste betekenis en zoveel is al duidelijk:

Men zal blijven zoeken…

woordwaarden verwijzen

toegepast op psalm 1

Dit is een overzicht van het aantal woorden in de Hebreeuwse taal in psalm 1

links zie het aantal woorden per deeltje.

In de volgende kolommen waar spijtig genoeg een aantal lijntjes ontbreken.

(dat is de reden dat ik een heel aantal spellen niet kan op deze site zetten)

zie je naar gelang je delen samen neemt merkwaardige getallen…

woordwaarde

a: 9 kan verwijzen naar de negenarmige kandelaar        b: 17 staat voor God

c: 26 staat voor God       d: 7 staat voor volheid  f: 22 is een volheid: alle letters

e: 2 betekent huis (gelukkig die thuis is)

de laatste kolom ziet de psalm als een andere dichtvorm: Een beginvers, een tussenvers en een eindvers met daartussen 3 kwartrijnen.

Derde kolom:

26 – 7 – 1 – 7 – 26                Zie hoe alles gebouwd is rond vers 3

en rond het woord: “op zijn tijd”: nu en ook later…

vierde kolom:

7 – 1 – 7 – 26 – 26                Zie hoe ook het kan draaien rond de weg die je kiest.

Vers 2 + 3 = 26 woorden    Vers 3 + 4 = 26 woorden     Vers 5 + 6 = 26 woorden

En als je het begin nu zo ziet: 2 – 22 – 2 = terug 26

huis – alle letters: staat voor alles – huis

Gelukkig de mens (die woont bij God) Hij is als een boom…

melodie deel 2

Protestants

Het is een verdienste van de protestanten dat de psalmen al heel lang ook in het Nederlands gezongen kunnen worden. Na het tweede Vaticaans concilie zochten de katholieken ook naar zingbare Nederlandse vertalingen.

Calvijn was voorstander van enkel de psalmen te zingen en niet meerstemmig om het woord meer te laten spreken. Vanuit die traditie werd het orgel ook dikwijls gebannen.

Omdat vele mensen moeite hadden om ritmisch te zingen werd er in sommige middens zo gezongen dat iedere lettergreep een hele noot werden gezongen. Bij de bevindelijk  gereformeerden wordt er nog tot op vandaag zo gezongen: dit heet iso-ritmisch zingen. Daaruit groeide later de overtuiging dat lang een lettergreep aanhouden getuigde van eerbied.

De protestantse psalmen zijn ook op rijm wat de psalmen soms uitrekken in vele woorden.

Andere melodieën

De souterliedekens of psalmen werden gezongen op melodieën van oude volksliedjes. Een aantal beweren dat dit echter niet zo zou zijn.

De Geneefse psalmen zijn melodieën gemaakt om bij het begin van de reformatie de psalmen te kunnen zingen. Ze zijn nog altijd te bewonderen en te zingen in het “liedboek der kerken”.

Er zijn intussen al heel wat nieuwere liederen gemaakt. Denk aan de psalm van H. Oosterhuis die op muziek gezet zijn, denk aan het werk met de vertaling van K. Waaijman. Zeker niet te vergeten is het werk van “psalmen voor nu” en andere eigentijdse groepen.

Op Chants en/of vereenvoudigde psalmtonen is er ook het werk van P. Oussoren en K. Ouwens en de vertaling van 2004.

Er zijn Antifonen om een psalm mee te beginnen en mee te eindigen.

Psalmrefreinen zijn korte liederen met een korte tekst uit de psalmen waarbij de tekst eens herhaald wordt.

In kloosters…

In Vlaanderen gebruiken we nog altijd de vertaling van Bronkhorst op de 14 tonen. Bij de benedictijnen en cisterciënzers gebruiken ze de vertaling van  Gerhardt & Van der Zeyde en dit op heel wat verschillende vereenvoudigde psalmtonen.

Er zijn in de kloosters heel wat vaste momenten om die psalmen te zingen. Het begint midden in de nacht met de nocturnen waar al zes psalmen gezongen worden, het eindigt met de dagneerlegging. In de loop van twee weken worden alle psalmen minstens één keer gezongen.

Meestal worden die psalmen in het Nederlands gezongen, er zijn nog Latijnse versies.

de melodieen

De 14 psalmtonen of -melodieën:

Scan0035Scan0036

Gregoriaans en chants

De volledige psalmtonen zijn in de eerste 8 kerktonen en opgebouwd volgens een vast systeem.

Eerst heb je een trapje van enkele noten om aan de belangrijkste toon te geraken.

Daarna komt de tenornoot die een aantal woorden kan worden aangehouden, daarop volgt de mediant.  Bij de tenor zit er in het eerste deel een beetje een verandering van toon om weer op die tenor uit te komen, dit is die flex.

Even wordt er adem genomen

en vervolgens heb je terug de tenor die langer kan aangehouden worden om af te sluiten met een deel dat de terminatie genoemd wordt.

Als je kijkt naar de 14 vereenvoudigde melodieën dan herken je nog een aantal stukken.

mel2

Het trapje ontbreekt. De tenor is de noot tussen twee streepjes. In het eerste deel wordt die gevolgd door de mediant. Er is geen flex. te bemerken.

Het tweede deel begint opnieuw met de tenor en daarop volgt de terminatie.

Naast de vereenvoudigde melodieën (Er zijn er meer dan veertien, maar in verschillende middens worden enkel die gebruikt.) zijn er ook meer uitgewerkte.

  • Je hebt vooreerst de breedkop: het eerste deel is dan meer uitgebreid.
  • Bij de breedstaart is het tweede deel meer uitgebreid.
  • En als je beide delen meer uitgebreid hebt, dan kom je bij de chants.

Meestal worden de chants meerstemmig gezongen.

(gregoriaans meestal eenstemmig)

Daarvan bestaat een sterke traditie in Engeland. Double chants zijn dan twee chants die afwisselend worden gezongen.

Bij de vereenvoudigde melodieën kun je ook een verdubbeling hebben.

de kerktonen

De kerktonen:

De toonladder Waar zitten de halve tonen?

Tussen welke noten?

Dorisch en hypodorisch (1 en 2) Tussen 2/3 en 6/7
Phrygisch en hypophrygisch(3 en 4) Tussen 1/2 en 5/6
Lydisch en hypolydisch (5 en 6) Tussen 4/5 en 7/8
Mixolydisch en hypomixolydisch (7 en 8) Tussen 3/4 en 6/7

Phrygisch klinkt zo heel triest en lydisch net heel vrolijk.

Later zijn er nog 4 kerktonen toegevoegd:

Eolisch (mineur) en hypoeolisch (9 en 10) Tussen 2/3 en 5/6
Ionisch ( groot ) en hypoionisch (11 en 12) Tussen 3/4 en 7/8

De “hypo” toonladders beginnen een kwart lager.

Als je aan de sleutel geen kruisen of molen zet:

toonladder tenor Finalis
Dorisch re la
hypodorisch re fa
Phrygisch mi Si ( later do)
hypophrygisch mi la
Lydisch fa do
hypolydisch fa la
Mixolydisch sol re
hypomixolydisch sol do
eolisch la mi
hypoeolisch la do
ionisch do sol
hypoionisch do mi

beeldspraak

Achtergrond bij boek 5, spel 7

een vergelijking: Het is als …

een beeldspraak

een allegorie: een uitgewerkte beeldspraak

Kijk eens bij voorbeeld naar psalm 114…

refrein: refreinen vind je op twee manieren in de psalmen.

Een refrein kan een paar keer voorkomen. Zie psalm 8, bij het begin en het eind. Of zoals bij psalm 42 en 43, na een stukje psalm…

Bij psalm 24 klinkt het refrein twee maal na elkaar.

Een refrein kan ook na ieder zin of bij het begin van de zin.

Zie als voorbeeld psalm 103.

De eerste twee zinnen starten met “prijs Jhwh” en bij de laatste drie zinnen merk je hetzelfde.

Psalm 136 is ook zo typisch. Na iedere zin komt hetzelfde refrein.

Als ik terug naar psalm 1 kijk…

Welke weg bewandel jij?

Als een boom aan levend water…

De psalm staat vol beeldspraak:

vers 1 en 3 en eigenlijk ook de andere. De psalm is opgebouwd met beeldspraak.

Ze is zo uitgewerkt dat je haast van een allegorie kunt spreken…

acrostichon

Boek 5, spel 6

In dit spel hebben we het over het “acrostichon”.

Bij een acrostichon kijk je naar de eerste letter van een zin. Die eerste letters samen hebben dan weer een betekenis.

Bepaalde psalmen hebben 22 verzen die telkens beginnen met een woord die begint met steeds de volgende letter.

Dat is dan een alfabetisch acrostichon.

In het Hebreeuws heb je namelijk 22 letters.

ps1bk55

lees van rechts naar links

De psalmen met een dergelijke opbouw zijn:

Psalm 25, 34, 37, 119 en 145

Een aantal psalmen vormen duidelijk één geheel samen en zijn ook zo opgebouwd:

Psalm 9 en 10 en ook 111 met 112 vormen zo gehelen.

 

de letters voorbeeld psalm 1,1

ps1bk53

zie psalm 1:

ps1bk54 is de eerste letter van het Hebreeuwse alfabet. Het is een onuitgesproken letter die verwijst naar de Schepper.

Als het eerste boek uit de Bijbel, genesis, de tweede letter, de b, gebruikt uit eerbied voor het onuitgesprokene en voor God, dan beginnen de psalmen wel met die eerste letter.

Hier volgt het volledige Hebreeuwse alfabet, let wel van rechts naar links te lezen!

ps1bk55

Het alfabet telt dus 22 tekens.

De kleine tekentjes onder of tussen de letters bovenaan zijn de klinkers die aangegeven worden…

parallellisme uit gelegd aan de hand van psalm 1, 1

ps1bk5

ps1bk2

Kijk naar het derde tot vijfde deeltje:

betekent  “niet”

Met behulp van de kleuren zie je meer de structuur van het vers.

Wat staat er dus?

“niet” werkwoord, de rest

De rest, “niet” werkwoord

De rest, “niet” werkwoord

We hebben hier een chiasme tussen de derde en vierde regel, en in de vierde en vijfde regel merken we een parallellisme.

Als we meer naar de inhoud kijken zien we in de werkwoorden ook een evolutie, verergering:

Gaan, stappen, zitten. Het wordt stilstand!

Zo zien we ook wie de ergste soort is: de goddelozen, de zondaars en de spotters.

Het gaat van kwaad naar erger:

Diegenen die geen rekening houden met God en gebod;

De zondaars die zijn geboden overtreden;

En ten slotte diegenen die zelfs spotten met God en de geboden.

tijd en plaats

Achtergrond bij boek 5, spel 5

Morgen: psalm 5, 30, 55, 59, 65, 73, 101, 130

Middag: psalm 37, 55, 91

Avond: psalm 30, 55, 59, 65, 90, 104

Nacht: psalm 1, 4, 6, 16, 17, 19, 32, 42, 55, 63, 74, 77, 78, 90, 91, 92, 104, 105, 119, 121, 134, 136, 139

oud en fris: psalm 1, 91, 92, 103

 oud:  psalm 37, 71

korte levensduur: psalm 39, 49, 89, 90, 102, 103, 119XI

Sion: psalm 2, 9, 14, 20, 48, 50, 51, 53, 65, 69, 76, 84, 87, 97, 99, 102

Tempel: psalm 5, 27, 30, 48, 65, 68, 79, 138

Jeruzalem: psalm 51, 68, 79, 102, 116, 122, 128, 135, 137, 147

Zie psalm 1:

Directe verwijzingen vind je er niet.

Maar als we het symbolisch benaderen kan het volgende gezegd worden:

De plaats waar je staat in het leven is van groot belang.

Sta aan stromend water waar recht is, en niet bij de schuine weg!

Voor de rechtvaardige gelovige is er toekomst, voor de onrechtvaardige niet.

De rechtvaardige gelovige zal op zijn tijd vrucht dragen…

de vijand

Achtergrond bij boek 5, spel 3

Je kunt op vele manieren overvallen worden.

Overvallen door echte vijanden, of door je geweten, door je zondigheid, of een onveilig gevoel omwille van Gods schijnbare afwezigheid. De belangrijkste omschrijvingen vind je nu gemakkelijk terug in een aantal psalmen

In psalm 1 wordt er enkel de spotter genoemd. En die zal uiteindelijk weg waaien, teniet gaan, het geluk niet kennen. De dood wordt hier niet behandeld als een gevaar, maar als een evidentie voor wie de verkeerde weg opgaat.

de bedreiger: zie psalm 3, 5, 7, 13, 27, 44, 54, 55, 56, 106, 127

de leugen: zie psalm 5, 10, 12, 17, 21, 27, 31, 34, 35, 36, 40, 43, 50, 52, 55, 58, 59, 62, 144

de laster: zie psalm 27, 31, 50, 64, 109

de dood die dreigt: zie psalm 6, 9, 18, 22, 30, 38, 41, 44, 49, 55, 56, 70, 88, 139, 143

het net waarin je vast raakt: zie psalm 9, 10, 25, 31,35, 57, 91, 119XIII, 124, 140

Kuil: zie psalm 7, 9, 35, 40, 49, 55, 57, 88, 94, 119XI, 140

val: zie psalm 38, 64, 140

ingesloten: zie psalm 3, 22, 44, 49, 56, 59

het roofdier dat aanvalt. Zie psalm 10, 17, 22, 44, 57, 59

de spot: zie psalm 10, 15, 31, 35, 40, 70, 80, 102, 119III, 119IV, 123

de hoogmoed: zie psalm 10, 31, 49, 75, 83, 119

de vijand: zie psalm 3, 6, 7, 9, 13, 17, 18, 21, 23, 25, 30, 31, 35, 38, 41, 45, 54, 56, 59, 60, 61, 64, 68, 69, 71, 73, 74, 80, 81, 89, 92, 106; 110, 119, 143

Gods vijand: zie psalm 21, 83, 97, 139

de geweldenaar: zie psalm 73, 79, 86, 120

het onrecht, de boosdoener: zie psalm 1, 5, 7, 10, 11, 12, 14, 15, 17, 26, 28, 34, 36, 37, 39, 49, 50, 52, 53, 55, 58, 62, 64, 71, 75, 82, 84, 94, 97, 101, 112, 119, 125, 129, 139, 140, 141, 145,

de zonde zie psalm 6, 25, 32, 38, 39, 40, 41, 51, 65, 69, 78, 79, 85, 103, 106, 107, 130

beeldspraak: weg, woord, licht en duister en zien

Achtergrond bij boek 5, spel 2

de weg:

wijs mij, leid mij op de weg: psalm 5, 16, 25, 27, 32, 37, 86, 119, 128, 143

de goede weg: psalm 1, 37, 50, 84,

de verkeerde weg: psalm 1, 17, 35, 36, 139

de weg loopt dood: psalm 1, 2,

de volmaakte weg (waarheid en recht): psalm 15, 18, 101, 107, 119

de weg van de geboden: psalm 119

mijn weg: psalm 18, 23, 26, 57, 138, 140, 142

Gods weg: psalm 18, 25, 67, 77, 78, 85,

een weg: psalm 107, 119

het woord:

verhalen, getuigen: psalm 26, 40, 71, 73, 79, 118, 145

Gods woord: psalm 18, 19, 22, 33, 56, 77, 89, 96, 103, 105, 107, 119, 147

Het woord van de leugenaar: psalm 12,

het woord van de onrechtvaardige: psalm 35, 59, 64, 94

mijn woord: psalm 139

licht en duister

Gods licht: psalm 4, 36, 43

licht van Gods gelaat: psalm 21, 31, 44, 67, 89, 90, 119

licht: psalm 19, 27, 36, 49, 50, 56, 69, 97,104, 112, 118, 119, 139

duister: psalm 11, 49, 81, 88, 104, 105, 112, 139

duister rond God: psalm 18

zien en inzien

zien: psalm 8, 9, 18, 22, 31, 35, 36, 40, 44, 45, 50, 52, 54, 55, 77, 80, 88, 91, 94, 104, 106, 119, 139, 142

zie Gods werken: psalm 46, 66

niet zien: psalm 64, 74, 115, 135, 142

hulp, triomf of straf zien: psalm 86, 90, 107, 112

Zie mij: psalm 13, 25, 59, 69, 106, 119

Zie, God: 37, 80, 83, 84,

uitzien: psalm 104, 105, 130, 145

ellende zien: psalm 71

het graf zien: 16, 49, 89

God(s werken) zien: psalm 40, 50

God kijkt: psalm 14, 53,

Gods goedheid zien: psalm 27

waarheid zien: psalm  17, 49, 69

 We kijken terug naar psalm 1.

Het beeld dat hier past is duidelijk de weg. Er is sprake van twee wegen die tegenover elkaar staan.

In vers 1 merk je een weg die stilvalt.

Wie is er gelukkig: die mens die niet wandelt met mensen zonder God, noch gebod:

die niet staat op de weg van de zondaars; die niet woont, neerzit bij de spotters.

Wandelt, staat, neerzit.

Het is tevens een niet meer op weg willen gaan met God.

Eerst wandelt men met “de mensen op de slechte weg”,

daarna staat men op de zetels, men gaat al op bezoek…

om tenslotte er te wonen, neer te zitten.

Ze worden onverzettelijk in hun verkeerde keuze.

Twee wegen: de weg naar het leven, naar het vruchten dragen

en de weg die uiteindelijk geen uitweg meer biedt en weg zal zijn: De weg naar de dood!

Terug merk je hoe sterk beelden kunnen zijn.

beeldspraak: natuur, lichaam en voorwerpen

Achtergrond bij boek 5, spel 1

de natuur.

Soms wordt er letterlijk de natuur bedoeld:

zie psalm 8, 19, 29, 65, 67, 104, 147

Soms gaat het om manieren van vertellen waarin beelden worden gebruikt:

zie psalm 1, 98

Kaf als mensen die verwaaien: psalm 1, 35, 83

Bomen en planten  van mensen:

psalm 1, 92, 128, 144

Bomen en planten: psalm 29, 80, 96, 104, 105, 148

Het geweld van de natuur, de wereld: psalm 29, 144

het lichaam

Naast letterlijk te spreken over het lichaam, bijvoorbeeld bij het lijden is er het in beelden spreken.

Het lijdende lichaam:

psalm 22, 31, 38, 69, 88, 109, 141

Ogen: psalm 19, 50, 94

Zien, oog van God: psalm 5, 17, 18, 33, 34, 51, 72,  86, 88, 90, 91, 116

Zien, oog van de vijand, de onrechtvaardige: psalm 10, 23, 35, 36, 54, 73, 101

Zien, oog van de ik-persoon of wij: psalm 13, 16, 18, 25, 26, 32, 38, 44, 54, 73, 77, 92, 101, 116, 118, 119, 121, 123, 131

Zien, oog van ellende:

psalm 6, 17, 31, 38, 69, 88

Zien, oog van de rechtvaardige: psalm 15

Zien, oog van de volkeren: psalm 98

Ogen van ieder: psalm 145

Oog van de afgoden: psalm 115, 135

Oren: psalm 18, 40, 44, 58, 115, 135

Gods handen: psalm 8, 9, 10, 16, 17, 19, 20, 21, 22, 28, 31, 32, 38, 39, 45, 60, 73, 74, 75, 77, 78, 80, 88, 89, 90, 92, 95, 102, 104, 106, 108, 109, 111, 119, 136, 138, 139, 143, 144, 145,

De handen van de vijand, de goddelozen: psalm 26, 28, 36, 58, 71, 140, 144

Andere handen: psalm 7, 18, 22, 24, 26, 28, 37, 44, 47, 63, 73, 77, 81, 83, 88, 90, 91, 115, 123, 125, 127, 129, 134, 137, 141, 143, 144, 149

Handen heffen of strekken naar God: de orantenhouding wordt bedoeld: psalm 77, 83, 88, 134, 141, 143

Tanden: psalm 3, 57, 58, 124

Voeten: psalm 17, 18, 22, 26, 37, 40, 57, 58, 66, 69, 73, 99, 110, 115

Voeten staan voor drie verschillende zaken.

Voor verstrikt geraken en vallen, voor wegen gaan en voor macht, staan voor iets.

 

voorwerpen

Ook symbolische voorwerpen komen aan bod:

Beker: psalm 11, 16, 23, 75, 116

Meetsnoer: psalm 16, 60, 108

Vaandel: psalm 20

Daarnaast voorwerpen om te vieren:

Beker: psalm 23

Offergaven: psalm 20, 27, 32, 40, 50, 51, 54, 66

 

Aan de hand van deze beeldende taal kun je beter de gevoelens en de klemtonen die de psalmist wil meegeven aanvoelen. Het biedt ook een veel rijker pallet aan om iets te beschrijven. Bij voorbeeld: Een hand die grijpt is natuurlijk de mens die grijpt.

Als we kijken naar psalm 1 dan kunnen we de inhoud heel saai zonder beelden als volgt meegeven:

“Gelukkig de mens die goed leeft, verbonden met God. Hij zal leven, de ander komt aan zijn einde.”

Dat het een les  is valt nu duidelijk op, maar meer heb je er niet aan.

Je aandacht gaat zo vlug weg van wat meer zit in die psalm. Het beeld van de boom doet ons verder kijken. Het wegwaaien van het kaf maakt ook alles duidelijker.

Het zijn twee duidelijke beelden uit de natuur. Een boom mag groeien en vruchten dragen. Het kaf telt tot niets meer en wordt opgegooid om gescheiden te worden van het voedzame graan. Kaf is nog goed om je kachel aan te steken, om verloren te laten gaan.

De boom staat aan levend water, kaf is droog en draagt geen vruchten meer.

Leven en dood zijn de tegenstellingen in die beelden van de natuur. Ze staan voor twee manieren van leven.

onrecht op eigen hoofd.

Achtergrond bij boek 4, spel 12

Kijk naar psalm 5, 7, 9, 27, 34, 35, 40, 54, 57, 76, 140

In de psalmen vind je altijd dat rechtvaardigheids-beginsel: onrecht zal gestraft worden. Zo zie je in verschillende psalmen hoe de onrechtvaardige in eigen vallen valt. Soms wordt er ook gevraagd aan God opdat het die onrechtvaardige mag overkomen.

de arme

Achtergrond bij boek 4, spel 11

Het spel kan er voor zorgen dat je haast nooit aan bod komt om zelf te gooien.

Het spel kan je er toe verplichten om een ander voordeel te geven.

Dit alles kan een ervaring zijn die je als armoede ervaart.

Het krijgen van tegels is ook een ervaring die je als arme moet leren aanvaarden.

In ieder mens zit er nog een strijd om toch te slagen, om te winnen. Wat als je in die fase niet aan bod komt en moet toezien hoe een ander er wel in slaagt?

In de psalmen kun je spreken over twee soorten armen.

Eerst heb je de mensen in armoede. Noem hierbij zeker de aandacht voor de weduwen en de wezen.

Anderzijds heb je de armen voor God, anawim.

Dat zijn die mensen die onthecht zich tot God richten,

die verlangen om door God gekend en geliefd te zijn,

die vragen om Zijn nabijheid,

die in hun lijden toch uitzien en geloven,

meer nog God prijzen,

en God blijvend vragen om hen tot deugdvolle mensen te maken.

De arme: zie psalm 9, 12, 35, 37, 41, 69, 72, 74, 107, 109, 112, 132, 140

Weduwen en wezen: zie psalm 10, 68, 82, 94, 146

Nog: zie psalm 103

Anawim: zie onder andere de psalmen met:

God zien als Bron: zie psalm 4, 16, 139

Brug, vertrouwen: zie psalm 4, 11, 13, 16, 25, 31, 56, 61, 71, 131

Hert, het uitzien naar: zie psalm 22, 25, 70, 123, 130

Richt mij: zie psalm 25, 31, 34, 37, 86, 94

vanuit het lijden toch bezingen: zie psalm 9, 10, 13, 22, 31, 34, 69, 71, 74, 86, 94, 113

geweld

Achtergrond bij boek 4, spel 10

In de psalmen is er veel geweld:

Geweld van of via de schepping: zie psalm 29, 46, 65, 68, 93, 114, 135

De joden waren die hele periode bezet door vreemde overheersers.

Geweld gebeurde en gebeurt, je kan er niet naast kijken.

Geweld door de vijand (andere volkeren inbegrepen): zie psalm 5, 17, 27, 35, 38, 44, 54, 56, 57, 59, 69, 70, 71, 76, 79, 83, 86, 118, 136, 139, 142

Geweld door onrechtvaardigen: zie psalm 5, 10, 11, 12, 14, 28, 37, 55, 58, 64, 94, 129, 139, 140

Geweld door vermeende vrienden: zie psalm 41, 55, 69, 106, 109

Spot en laster: zie psalm 22, 31, 35, 52, 55, 59, 69, 73, 109

Die je vastgrijpt: zie psalm 137

Geweld van God tegen de bozen en vijanden: zie psalm 7, 9, 11, 14, 21, 37, 64, 68, 73, 75, 76, 77, 78, 83, 91, 94, 105

Geweld van God tegen volkeren: zie psalm 110, 135, 136

Geweld van God tegen de ik-persoon of het eigen volk: zie psalm 39, 44, 60, 66, 74, 78, 80, 88, 89, 90, 94, 106

Geweld gesteund door God: zie psalm 2, 18, 44, 72, 92, 149

De vraag aan God dat Hij geweld zou gebruiken: zie psalm 5, 9, 10, 17, 28, 35, 54, 55, 56, 58, 59, 63, 69, 79, 94, 109, 125, 139, 141, 143

Ik heb  alvast, waarschijnlijk met vele andere mensen, moeite met zoveel geweld in de psalmen.

Moeten we dan soft worden en het onrecht maar laten gebeuren? Nee, ik denk van niet. Maar een aantal andere beden tot God in verband met die onrechtvaardigen zijn voor mij betere gebeden.

Ze hebben te maken met het tot inzicht komen van de mens die onrechtvaardig bezig is of ervoor te zorgen dat ze er mee ophouden.

Zie hieronder een paar voorbeelden daarvan:

Dat ze schrikken: zie psalm 9, 14, 40, 53

Dat ze beschaamd staan: zie psalm 6, 35, 53

Dat ze afdruipen: zie psalm 6, 35

Dat hun complot verijdeld wordt: zie psalm 14, 112

ziek en gebroken

Achtergrond bij boek 4, spel 9

Wie gebroken is of ziek, heeft soms geen vaste grond meer onder de voeten. Meer nog het leven kan zo hard zijn dat het hem nog meer de grond in duwt.

Is er een God die hem zal helpen? Een God die luistert, die redt?

Of zullen andere problemen zoals spot of uitsluiting (en hoever is vereenzaming ook geen vorm van uitsluiting?) de mens in nood het onhoudbaar maken?

ziek: zie psalm 6, 22, 30, 31, 38, 41, 51, 71, 88, 109

verdriet en ellende: zie psalm 18, 22, 31, 35, 38, 40, 42, 44, 55, 56, 69, 70, 86, 88, 102, 109, 116, 129, 142

De ik-persoon die schuldig is: zie psalm 25, 26, 32, 38, 39, 40, 41, 51, 65, 69, 79, 85, 103, 106, 130

God de beschermer

Achtergrond bij boek 4, spel 8

Onder Gods vleugels: zie psalm 36, 57, 61, 91

God als rots: zie psalm 28, 62, 71, 92, 144

God als schild: zie psalm 18, 31, 37, 115, 144

God als burcht: zie psalm 8, 27, 28, 31, 37, 46, 59, 61, 62, 71, 94

God als beschermer: zie onder andere psalm 5, 33, 121, 124

Ik vertrouw op God: zie psalm 25, 27, 31, 38, 40, 44, 52, 55, 56, 62, 73, 91, 115, 116, 130, 131

God is rechter

Achtergrond bij boek 4, spel 6

God blijkt een rechtvaardige maar een strenge God te zijn. Hij rekent er op dat je trouw aan Hem blijft. Ieder mens krijgt dus de opdracht te leven naar zijn wet. Gelukkig is dit een wet van liefde, een wet van eerbiedig leven met en voor de ander, een wet van gerechtigheid.

De goddeloze en de vijand willen zich onttrekken aan die opdrachten.

De goddeloze zoekt het geluk bij andere goden of bij het nastreven van eigen profijt zonderrekening te houden met God.

De vijand maakt het de rechtvaardige moeilijk door extra lasten op te leggen. In vele gevallen is met de goddeloze net dit ook bedoelt dat die schaamteloos de arme verdrukt.

We hebben in de psalmen dus niet te maken met mensen die niet geloven in een god!

God wordt er vaak omschreven als een god die het zal opnemen voor de rechtvaardige. Desnoods met geweld.

Waar vind je die thema’s terug?

De vijand: zie psalm 3, 5, 6, 7, 9, 13, 17, 18, 21, 25, 27, 30, 31, 41, 42, 43, 44, 54, 55, 56, 60, 64, 66, 68, 69, 71, 72, 74, 78, 80, 89, 92, 97, 102, 108, 110, 136, 139, 143

De goddeloze: zie psalm 14, 35, 36, 52, 73

De weg gewezen: zie psalm 16, 25, 67

Vraag om de weg gewezen te worden: zie psalm 25, 27, 86, 139, 143

De zondaars en de boze: zie psalm 1, 9, 10, 11, 17, 28, 32, 36, 37, 50, 73, 75, 92, 104, 112, 125, 139, 140, 141

Gods gerechtigheid: zie psalm 11, 14, 35, 36, 53, 58, 71, 75, 76, 79, 82, 97, 119, 145, 146

De weegschaal, gerechtigheid: zie psalm 5, 7, 11, 15, 26, 33, 37, 45, 52, 58, 64, 68, 97, 112, 119, 125, 140

De wet: zie psalm 1, 18, 19, 25, 55, 58, 64, 68, 92, 97

koningen en God als koning

Achtergrond bij boek 4, spel 5

In de psalmen zie je dikwijls een plaatsen van de aardse heersers, koningen tegenover God als koning.

Volkeren: zie psalm 2, 9, 18, 22,33, 44, 46, 47, 49, 57, 59, 65, 68, 72, 78, 79, 80, 82, 86, 87, 94, 98, 99, 113, 126

Koningen, heersers: zie psalm 2, 33, 48, 68, 76, 102, 105, 110, 138, 144

God als koning: zie psalm 9, 10, 22, 24, 29, 44, 47, 48, 74, 84, 89, 93, 95, 96, 97, 98, 99, 103, 113, 145, 146, 149

Daarnaast heb je een aantal psalmen die de zegen vragen over de koning. In nogal wat gevallen wordt hier koning David bedoeld.

Zegen over de koning: zie psalm 18, 20, 21, 45, 63, 72

Het joodse volk wilde net als de andere landen ook een koning. Hoezeer de profeten daar ook voor verwittigden, een koning zou er komen. Het is dan ook begrijpelijk dat herhaalde malen in de psalmen de koningen gevraagd worden om te buigen voor de enige koning: God.

Vraag aan de koningen om nederig te zijn: zie psalm 2 en 72

God die de volkeren neerslaat: zie psalm 2, 56, 149

God die de koningen neerslaat: zie psalm 2, 135, 136, 149

Volkeren die gestraft worden: psalm 59

Volken zullen uiteindelijk God loven vind je terug in psalm 45, 47, 67, 96, 102

God spreekt ook over Zijn volk: psalm 28, 29, 33, 50, 60, 68, 72, 74, 76, 77, 78, 79, 81, 83, 85, 94, 95, 110, 135, 147.

Een aantal psalmen gaan ook over zijn volk: psalm 105, 106, 118, 136

Waarom deze spelregels?

Koningen willen altijd hoger staan. En de volkeren moedigen ze daarbij aan. Vele van die machthebbers wedden op twee paardjes, of hebben overal wel hun pionnetjes staan.

Het uitzicht op de Messias veegt nogal wat van die dromen weg. Ze zijn niets vergeleken met God. Dikwijls zien we ook dat God zelf in een psalm de koningen weer op hun plaats zet: een stapje lager.

De enige koning is God, en die noemt “Ik zal er zijn”. Dit is een heel andere heerser dan iemand die zelf macht nastreeft…

wijsheid in de psalmen

Achtergrond bij boek 4, spel 4

Een grote waarheid die je als een refrein mag horen in de psalmen is dat je mag vertrouwen op God. Alsook dat de mens die rechte wegen gaat kan rekenen op Gods steun.

Daarnaast wordt iedere uitspraak die in naam van God gedaan wordt natuurlijk gezien als grote waarheid. En de vlam van de waarheid kon bij dit onderdeel zeker niet ontbreken.

Wijsheidsliteratuur is een eigen vorm van spreken waarin voor de omstanders, de toehoorders of de lezers wijze lessen worden gegeven. Dit kunnen korte samengebalde waarheden zijn zoals in het boek spreuken er vele te vinden zijn. Het kunnen ook grotere stukken zijn zoals soms hele psalmen. Niet alle psalmen zijn immers strikt gezien gebeden. Zie bijvoorbeeld maar naar psalm 1. God wordt er niet aangesproken, en wordt wel over de mens en over God gesproken maar dan op een wijze om een ander mens te overtuigen om rechtvaardig te gaan leven en Gods wetten voor ogen te houden.

Wijsheid:

psalm 1, 2, 11, 14, 15, 20, 24, 37, 49, 50, 52, 53, 72, 81, 87, 91, 112, 119,  125, 127, 128, 134

Psalm 1 en 127 staan voor de wijsheid psalmen in het spel.

het is alvast een eigen soort poëzie…

over de natuur en de schepping

Achtergrond bij boek 4, spel 3

God schept: zie psalm 8, 22, 24, 95, 96, 100, 104, 136, 139, 146

God doet de schepping daveren: zie psalm 18, 29, 68, 74, 77, 78, 83, 144

De schepping getuigt van zijn schepper: zie psalm 19, 96, 97, 98, 148

De schepping schrikt of vreest: zie psalm 114

De schepping aan ons gegeven: zie psalm 8

De schepping woelt: zie psalm 42, 46, 65, 93, 124, 144

de goede en slechte weg

Achtergrond

De goede weg houdt in: Gods wetten volgen. Dit betekent God zoeken, van Zijn daden getuigen, maar vooral leven zoals God het bedoelt. De goede weg volgen is een weg van opkomen voor de zwakste, van opkomen voor gerechtigheid en een afwijzen van de slechte weg.

Wie op de rechte weg gaat mag erop vertrouwen dat God voor hem zal zorgen, ook al heeft die mens het vandaag ferm te verduren.

De slechte weg wordt geminacht. Ze leidt ook tot niets. Het is een vol zijn van zichzelf, van afgoden aanbidden, van onrecht doen.

Met ongelovigen wordt dan ook vaak bedoeld: die mensen die Gods wil niet willen doen.

Mensen die niet geloven in een god moesten toen nog geboren worden. Maar ergens geloven en er geen rekening mee houden werd als een zeer slechte manier van leven afgedaan.

Maar het duidelijkste thema is dit van tekort aan mededogen en onrechtvaardigheid, winstbejag. Die manier van leven kan niet samen gaan met geloof!

schuld en onschuld

Achtergrond bij boek, spel 1

Schuld:

Ieder mens draagt schuld. Wij zijn allemaal mensen.

Alle onrecht is schuldig gedrag. In dit deel gaan we daar echter niet op in.

In psalm 14 en 53 vindt God zelfs niemand van goede wil.

In psalm 6 is de bidder ziek van schuld, in psalm 107 vind je nog zieken van hun zonden.

Wees niet langer boos, straf mij niet horen we in psalm 6.

In psalm 25 wordt gebeden om de zonden uit de jeugd te vergeven.

In psalm 86 en 130 is er de eenvoudige vraag om vergeving.

Vergeving van persoonlijke schuld merken we in psalm 32.

In psalm 85 is het dan weer de vergeving van een volk.

In psalm 79 wordt er gebeden om vergeving van het volk.

De vraag om vergeving zien we in psalm 39 en 51.

In psalm 38, 40, 41 en 69 is de bidder overweldigd door zijn zonde.

In psalm 32 en 65 vinden we de gedachte dat wie zijn zonde belijdt vergeving krijgt.

God schenkt vergeving in psalm 103 en 106.

Onschuld:

Niemand is zonder schuld. Maar je kunt wel onschuldig, onrechtvaardig behandeld worden.

Psalm 7 en 17 gaan zelfs zo ver dat de psalmist bij hoog en laag beweert nooit aan dit onrecht gedaan te hebben.

In psalm 101 beweert de bidder onschuldig te zijn aan onrecht.

Psalm 26 vraagt zelfs een onderzoek om zijn onschuld te bewijzen.

In psalm 18 wordt de bidder gered wat zijn onschuld verdiende.

In psalm 44 voelt de bidder zich onschuldig en vraagt zich af waarom zijn volk zoveel te verduren krijgt.

In psalm 59 zegt de psalmist aangevallen te worden omwille van zijn onschuld.

mijn God, mijn leven

Achtergrond bij boek 3, spel 12

Uitzien

Uitzien naar God kan op twee manieren:

Je kunt verlangen dat God er is omdat Hij je zou redden.

Zie psalm 13, 25, 27, 33, 40, 42, 63, 70, 79, 120, 121,  123

En je kunt gewoon ook verlangen naar God om bij Hem te zijn.

Zie psalm 63, 84, 122, 130

Het eerste soort verlangen komt zoals je ziet veel meer voor in de psalmen. Dit komt omdat de biddende mens in de psalmen vaak in moeilijke situaties zat.

Bron

De waarden van de godsdienst kunnen een bron zijn om naar te leven en om ook van te leven.  Zo zijn gerechtigheid en mededogen met de arme heel belangrijke.

“Jij bent de bron van ons leven” kan ook letterlijk verstaan worden. Wij zijn immers schepselen van Hem.

De bron van het leven kan ook vanuit het verbond verstaan worden. Dat is veel breder dan het naleven van een aantal waarden, rijker dan te ervaren dat God ons gemaakt heeft. Het duidt op een liefdesband, een verbond tussen mens en God.

Bron van geluk voor wie zijn naaste liefheeft. Zie psalm 1, 18, 112, 128, 133, 134

God is mijn bron en schepper: zie psalm 8, 87, 92, 104, 115, 136, 139, 147

Bron van geluk vanwege het verbond en de wet: zie psalm 1, 18, 19, 105, 111, 119, 147

Bron die leven doet: zie psalm 4, 18, 23, 27, 36, 80, 115, 124,  126, 127, 132, 135, 138, 145

Bron van vreugde en geluk: zie psalm 5, 16, 18, 103, 107, 113, 118, 136

Vertrouwen: Zie psalm 3, 4, 13, 14, 20, 22b, 23, 27, 28, 31, 33, 37, 52, 53, 55, 62, 73, 116, 125, 131, 146

God kent me: zowel mijn goede al mindere kanten zie psalm 31, 33, 44, 69, 94, 138, 139, 142

God, waar ben je?

Achtergrond bijboek 3, spel 11

God is niet steeds de afwezige als de mens te lijden heeft. In de psalmen weigert die soms zelfs te helpen of Hij werkt zelfs tegen…

God is boos en straft: zie psalm 6, 27, 34, 38, 74, 77, 78, 79, 80, 85, 88, 89, 90, 95, 108

Waarom verniel Je? Zie psalm 80

God beproeft de mens: zie psalm 39, 66, 71

God verstoot de mens: zie psalm 27, 43, 44, 60, 74, 88

God verlaat de mens: zie psalm 22

God breekt de mens: zie psalm 102

God is afwezig, verborgen: zie psalm 10, 22a

God vergeet zijn volk: zie psalm 42, 44

God zwijgt: zie psalm 28, 83, 109

De mens vraagt om aandacht. In zijn nood heeft hij God nodig.

Luister naar me: zie psalm 5, 28, 31, 54, 55, 61, 64, 86, 88, 102, 130, 142, 143

Keer terug of keer je om: zie psalm 6, 86, 90

Antwoord me: zie psalm 4, 13, 17, 27, 69, 102, 143

Wacht toch niet langer: zie psalm 70

Omwille van Je naam: zie psalm 6, 13, 21, 143

Sta op, verrijs: zie psalm 3,  7, 9, 17, 35, 44, 57, 74, 82, 102

Psalmen spreken over gebeurtenissen

Achtergrond bij boek 3, spel 10

In verschillende psalmen worden stukken geschiedenis gebruikt om te vertellen hoe God is. In andere wordt verwezen naar het verleden om die God te vragen om opnieuw de redder te zijn.

Psalm 44 getuigt hoe vroeger in Gods Naam zijn volk de overwinning behaalde en hoe moeilijk het nu is.

Psalm 60 vertelt eveneens hoe God het zijn volk moeilijk maakt en noemt ook verschillende landstreken.

Met psalm 68 begint het echt geschiedenis vertellen: de koningen vluchtten, het volk werd bevrijd. De intocht in het beloofde land!

Psalm 77 raakt het thema van de doortocht door de Rietzee aan.

Psalm 78 probeert zo volledig mogelijk te zijn in zijn getuigenis over God en het joodse volk.

Psalm 80, 105, 106, 135 en 136 spreken over de geschiedenis van het volk in en na Egypte.

Psalm 114 heeft het over de periode na de ervaringen in Egypte.

Psalm 81 benadrukt de onwil van het volk om te luisteren, zo ook psalm 95.

Psalm 83 vraagt om zo te handelen als weleer. Heel wat feiten worden genoemd.

Psalm 89 en 132 handelen over de geschiedenis van koning David.

Psalm 99 noemt grote namen: Mozes en Aäron en Samuël.

Psalm 76 is gesitueerd: verschillende plaatsen worden genoemd. De psalm kan niet anders dan verbonden worden met dat volk.

Psalm 79 verhaalt over de verwoesting van het heiligdom.

Psalm 137 verwoordt de ervaringen in Babylon.

Wat doet God in de psalmen?

Achtergrond bij boek 3, spel 9

God maakt

74, 78, 84, 85, 87, 89, 92, 95, 100, 104, 111, 114, 117, 119, 127, 136, 139, 147

God maakt stuk of straft: zie psalm 2, 8, 18, 37, 39, 42, 43, 44, 60, 73, 75, 77, 88, 89, 90, 102, 110, 136

God redt: zie psalm 3, 4, 6, 7, 17, 18, 19, 22, 25, 30, 34, 37, 40, 41, 49, 51, 63, 66, 68, 69, 78, 81, 91, 105, 106, 109, 113, 116, 118, 119, 124, 126, 130, 135, 138, 144, 145

God spreekt: zie psalm 2, 3, 12, 50, 60, 75,   81, 87, 91, 95, 110, 132

God beschermt: zie psalm 5, 12, 17, 23, 27, 28, 31, 33, 46, 59, 62, 91, 94, 111, 112, 121, 127, 132, 147

God vergeeft: zie psalm 17, 32, 65, 85, 89, 91, 95, 103, 106, 130

God heerst in den hoge: zie psalm 2, 10, 21, 29, 33, 45, 46, 47, 48, 50, 62, 80, 82, 89, 90, 93, 96, 97, 98, 99, 100, 102, 103, 104, 105, 110, 113, 114, 115, 119, 135, 138, 145, 146

God is rechter:  zie psalm 1, 5, 7, 9, 11, 14, 26, 52, 53, 58, 62, 71, 73, 75, 82, 112, 140

op tocht gaan

Achtergrond bij boek 3, spel 8

Op tocht gaan, pelgrim zijn kan symbolisch maar ook letterlijk. Het op weg gaan naar een oord waar geloven een diepere wortel heeft gekregen kan een zowel louterende, ontmoetende en feestelijke tocht worden.

Zo trokken talrijke joden naar Jeruzalem, naar de tempel.

In verschillende passages uit de Bijbel vinden we daar getuigenissen van. Ik geef er slechts enkele uit het nieuwe testament:

Jezus trok als 12-jarige voor het eerst mee met zijn ouders op weg naar de tempel.

In de tijd van het laatste avondmaal waren er veel joden in Jeruzalem omdat het joodse paasfeest werd gevierd, dit is het feest van de uittocht uit Egypte.

Ook bij het Pinksterverhaal bij handelingen lezen we dat omwille van het feest joden van alle talen bijeen waren in Jeruzalem.

Ik heb het titeltje “ommegang” genoemd. Meestal eindigde een tocht dan ook met een feestelijke intrede. Bij die intrede werden vaste plaatsen bezocht. Net zoals een ommegang een kleine pelgrimstocht is met vaste plaatsen…

Woorden die kunnen verwijzen naar dit thema:

Processie: psalm 24, 47, 48, 68, 93,

Pelgrim: psalm 120, 121, 122, 123, 124, 125, 126, 127, 128, 129, 130, 131, 132, 133, 134, de trappsalmen dus.

Tempel, huis: psalm 5, 138

Naar toe gaan: psalm 34, 68, 78, 84, 118, 122, 134

Berg: psalm 43, 99

Binnen Jeruzalem: psalm 122, 125

Treedt binnen (In Zijn poorten): psalm 95, 100

Nog passend in dit thema: psalm 15, 24, 50, 87, 95

Ook de psalmen waarin men oproept om te zingen passen hier best bij.

God vieren

Achtergrond bij boek 3, spel 7

Een aantal woorden uit bepaalde psalmen kunnen je helpen om in dit thema psalmen te vinden:

Beker: psalm 16, 23,

Tafel, altaar: psalm 23, 26, 43, 51, 84, 118

Offers: psalm 4, 27, 40, 50, 51, 54, 66,

Tempel, huis: psalm 5, 26, 27, 30, 48, 55, 66, 134

Een aantal psalmen worden ook altijd gebruikt bij feesten.

Psalm 113 tot 118 worden op alle joodse feesten gebeden, echter niet op Poerim.

Tijdens het Loofhuttenfeest, Soekoet: psalm 27, 122

Tijdens het nieuwjaarsfeest, RosjHasjana: psalm 81

Tijdens het wekenfeest, Sjavoeot: psalm 67

Verwijzend naar het paasfeest, Pesach: psalm 24, 42

Verwijzend naar het lichtfeest, Chanoeka: psalm 30

Psalm 30: bij de inwijding van een tempel.

Is God ver of dichtbij?

Achtergrond bij boek 3, spel 6

God in de hoge:

Als rechter: zie psalm 1, 9, 11, 19, 26, 53, 58, 62, 64, 71, 73, 82, 92, 140

Als heerser: zie psalm 2, 10, 11, 19, 24, 29, 33, 45, 46, 47, 48, 50, 60, 65, 67, 68, 74, 75, 76,  77, 78, 80, 84, 89, 93, 95, 96, 97, 98, 99, 100, 102, 103, 104, 105, 110, 112, 114, 115, 119, 138, 145, 148, 150

De nabije God die helpt: zie psalm 1, 3, 4, 5, 6, 12, 14, 16, 17, 18, 20, 21, 23, 25, 30, 31, 32, 33, 34, 36, 40, 41, 49, 51, 52, 53, 59, 62, 63, 66, 68, 69, 72, 73, 78, 85, 87, 90, 91, 92, 94, 103, 105, 106, 107, 109, 111, 112, 113, 139, 140, 144, 145, 146, 147

God treurt zelfs in een psalm om het volk dat zijn eigen weg gaat: zie psalm 81

God zegent

Achtergrond bij boek 3, spel 5

God brengt vrede, zegen, een thuis, een bron van leven, geeft een thuis.

Bij Hem wonen: zie psalm 15, 39, 65, 73, 84, 91, 139, 140

Vraag om bij Hem te wonen: zie psalm 27, 61, 71,

Veilig wonen: zie psalm 41, 102, 107, 113

Land bezitten: zie psalm 25, 37, 68, 69, 78,

Vraag om veilig te wonen: zie psalm 4

Bij Hem schuilen: zie psalm 2, 5, 7, 11, 14, 16, 17, 18, 25, 27, 31, 32, 34, 37, 57, 64, 71, 118, 119, 141, 143

Vraag om bij Hem te schuilen: zie psalm 84

Mijn rust: zie psalm 62,

God brengt vrede: zie psalm 4, 29, 35, 37, 85, 119s, 147

Zoek vrede: zie psalm 34

Bidden voor vrede: zie psalm 72, 122, 125

Vrede wordt niet aanvaard: zie psalm 120,

God zegent: zie psalm 3, 21, 24, 37, 84, 128, 133

Vraag om zegen: zie psalm 28, 67, 109

Belofte van zegen: zie psalm 72

God zegenen: zie psalm 134

Gelukkig: zie psalm 1, 2, 32, 34, 37, 40, 41, 63, 64, 65, 72, 84, 89, 94, 106, 112, 119, 127, 128, 137, 144, 146

Geluk zoeken: zie psalm

Een bron van leven: onder andere 36, 37, 40

Wie is God?

Achtergrond bij boek 3, spel 4

Wie is die God?

Het is duidelijk dat naast wie God werkelijk is, de mens ook zijn eigen voorstellingen heeft van die God. Vandaag wordt de nadruk gelegd op God die een vergevende en liefdevolle God is. Er zijn tijden geweest waarin men een eerder ander beeld van die God belangrijker vond.

Nochtans bestaan alle gedachten die in de psalmen voorkomen ook vandaag nog. Het kan wel zijn dat iemand wat moeite heeft om een bepaalde psalm te bidden omdat het godsbeeld ver van hem afligt.

Eigenlijk spelen we in onze gedachten telkens met twee verschillende Godervaringen die tegengesteld aan elkaar lijken en toch beide terug te vinden zijn.

Zo heb je de rechtvaardige God en de barmhartige.

We kunnen enerzijds niet aanvaarden dat God zomaar alles toestaat en toch rekenen we anderzijds op Zijn vergeving.

Zo ook heb je ook de God die blijkbaar niet tussenkomt en zwijgt en die God die wel tussenkomt. Met alle vragen die er bij komen: Waarom komt Hij niet tussen? Kan God niet tussenkomen of wil Hij niet? En waarom komt Hij blijkbaar toch op andere momenten tussen?

God is liefdevol: psalm 6, 13, 17, 18, 21, 23, 25, 30, 31, 36, 40, 51, 52, 57, 63, 66, 84, 86, 89, 90, 92, 100, 103,

God is herder: psalm 23, 28, 37,

God schenkt vergeving, spreekt vrij of geneest: psalm 6, 17, 25, 30, 32, 34, 41, 49, 51, 65, 66, 86, 103,

God vergeeft zijn volk: psalm 85,

God redt: psalm 3, 7, 9, 12, 18, 30, 32, 34, 40, 66, 77, 78, 88, 95, 103, 105, 107, 113,116, 118, 124, 129, 135, 136, 138, 146

God helpt:  Bij de hand hoort natuurlijk ook het redden en beschermen…

God helpt de arme: psalm 9, 12, 14, 68, 69, 70, 76, 102,

God beschermt, is een burcht: psalm 3, 4, 5, 7, 8, 9, 18, 23, 27, 28, 31, 32, 33, 46, 56, 59, 61, 62, 71, 73, 89, 91, 92, 94, 144

God is trouw: psalm 19, 25, 33, 37, 54, 55, 57, 65, 73, 92, 94, 97, 103,

God is kwaad, hij straft zijn volk:

psalm 44, 60, 74, 78, 79, 80, 85, 89, 90, 95

God straft de volkeren, de koningen: psalm 2, 68, 76

God wreekt zijn volk: psalm 78, 94

God is de sterkte van zijn volk: psalm 75, 81, 87, 89, 95

God straft de schuldige: psalm 6, 32, 38, 39, 73, 91

God beproeft de mens: psalm 66, 71, 77, 88, 102

God straft, vernietigt de vijand, de onrechtvaardige:

psalm 1, 2, 3, 7, 9, 11, 14, 18, 21, 34, 37, 52, 53, 58, 64, 68, 69, 76, 97

God schept, maakt: psalm 8, 19, 24, 33, 42, 50, 65, 66, 68, 74, 96, 100, 102, 104

God doet wonderen: psalm 17, 26, 40, 71, 72, 75, 77, 78, 86, 88, 98, 105,106, 107, 135, 136, 145.

God is rechtvaardig:

Zie psalm 1, 5, 7, 9, 11, 14, 15, 18, 19, 35, 36, 58, 67, 71, 73, 75, 76, 97

God toont de weg: psalm 16, 19, 23, 25, 48, 50, 66, 67

God verlangt om geloofd1, 2, 3, 6, 7, 9, 11, 14, 18, 21, 32, 34, 37, 38, 39, 44, 52, 53, 58, 60, 64, 68, 73, 74, 76, 78, 79, 80, 85, 89, 90, 91, 94, 97

te zijn door zijn volk: psalm 81

God is rechter: psalm 7, 9, 26, 50, 58, 62, 63, 75, 96

Is God onrechtvaardig? Zie psalm 82

God luistert of verhoort:

Zie psalm 3, 4, 6, 18, 20, 22, 31, 34, 55, 66, 102,

God zegent: Zie psalm 1, 2, 5, 8, 15, 16, 18, 21, 23, 24, 37, 65, 67, 69, 84, 85, 91, 94,

God slaapt of blijft afwezig: psalm 10, 13, 22, 35, 42, 43, 59, 83, 88, 89,

God doorziet: psalm 11, 14, 53, 69,

God is machtig: psalm 8, 20, 21, 22, 24, 29, 33, 44, 45, 46, 47, 48, 50, 60, 65, 66, 68, 71, 74, 75, 76, 78, 82, 84, 89, 93, 95, 96, 97, 98, 104,

God is koning, regeert: psalm 5, 10, 22, 29, 44, 47, 66, 68, 74, 84, 89, 93, 95, 96, 97, 98, 99, 102, 103, 104, 145

God doet mij leven: psalm 4, 8, 16, 23, 62, 63, 71, 92, 119, 139

Vind je Jezus in de psalmen? En toekomst?

Achtergrond bij boek 3, spel 3

Messiaans. Psalmen die kunnen gelezen worden als een voorafspiegeling, een profetie van de komst van de Messias.

In de volgende verzen van psalmen ontdek je zo een profetie:

Jezus als Zoon van God: psalm 2,7

Jezus’ boodschap: psalm 8,3; 45,7-8; 69,10; 102,26-28

Jezus is belangrijk: psalm 118,22; 118,26

Jezus’ koningschap: psalm 45,7;  89,4-5; 110,1

Jezus’ lijden en dood zie je in:

psalm 22; 34,21; 31; 35,11; 40,7-9; 41,10; 69,22.26; 109; 129,3

Jezus’ verrijzenis: psalm 16,10

Jezus’ hemelvaart: psalm 24,7-8;  68,19; 110,1

De gezalfde overwint: psalm 20,7; 21

De gezalfde verworpen: psalm 2,1-2;

De gezalfde: psalm 18,51; 20,7; 28,8; 84,10; 89; 132

De koning zal regeren in gerechtigheid: psalm 72; 89,37-38

God zorgt: psalm 23

Eeuwig:psalm 110

Sta op, verrijs, verhef U: Psalm 3, 7, 9, 10, 12, 17, 21, 35, 44, 57, 59, 74, 82, 94

Opstaan, oprichten: psalm 20, 68, 89

Herrijzen: psalm 71

“Gezalfde” vind je in psalm 2, 18, 20, 28, 45, 84, 89, 132.

Als U me helpt dan zal ik… Psalm 7, 9, 13, 14, 21, 35, 41, 43, 51, 53, 61, 63, 71, 80, 85, 106, 119,

“Als God handelt zullen zij weten” krijg je ook heel dikwijls in de psalmen. Zie naar psalm 9, 22, (40), 58, 67, 78, 83, 86, 102, 109,

“Handel, dan zal er toekomst zijn” is ook een gedachte die geregeld voorkomt. Zie psalm 19, 39, 40, 53, 63, 73, 102, 104, 106, 119, 132,

“Mocht God er niet zijn, dan was ik verloren” klinkt in psalm 94, 124,

“Mocht ik verkeerd doen, straf me dan” is ook een wederkerende gedachte. Zie psalm 7, 137,

“Zelfs al zou me alles overkomen, al overkomt me alles, dan nog blijf ik trouw” vind je terug in psalm 3, 23, 56, 141

Toekomst voor de rechtvaardige: psalm 1, 11, 24, 25, 34, 37, 52, 55

Geen toekomst voor de onrechtvaardige: psalm 1, 5, 7, 11, 34, 36, 37, 49, 52, 55

De waarschuwing “Eer Hem” of anders…: zie psalm 2,

Toekomst: psalm 16, 18, 21, 22, 23, 29, 31, 33, 60, 69,

God redt al in het bidden: zie psalm 22, 28, 30, 54, 56

God voor altijd: psalm 9, 10, 29, 33, 45, 48, 66, 68, 89, 92, 100, 102, 106, 107, 117, 118, 119, 136.

Eeuwig leven: psalm 16, 22, 30, 37, 45, 52, 86, 89, 110, 111, 119, 139

God spreekt

Godsspraak, orakel

Zie psalm 2, 50, 60, 75, 81, 82, 87, 89, 91, 95, 110, 132

God spreekt over de Messias, de Zoon…: psalm 2

God spreekt over offers: psalm 50

God spreekt over Israël en de geschiedenis: psalm 60, 81, 95

God spreekt over David: psalm 89

God spreekt over die Hem eren: psalm 87

God spreekt tot en over de hooghartige mens en de zondaar: psalm 75, 82

God verwittigt geen vreemde goden te hebben: psalm 81

God spreekt tot de rechtvaardige: psalm 91, 110

God spreekt over Sion: psalm 132

de Naam van God

Achtergrond bij boek 3, spel 1

Je ziet aan de manier waarop God aangesproken wordt uit welke traditie een bepaalde tekst stamt. Zo zie ik onmiddellijk dat alle psalmen van Boek 1 de Godsnaam gebruiken. Zo zie je dat de psalmen uit Boek 2 allemaal Elohiem gebruiken om over God te spreken.

 Jhwh. De psalmen tussen haakjes gebruiken het kortere woord “Jahw”

Psalm 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 38, 39, 40, 41

Psalm 42, 46, 47, 48, 50, 54, 55, 56, 58, 59, 64, 68, 69, 70, 71, 72

Psalm 74, 75, 76, (77), 78, 79, 80, 81, 83, 84, 85, 86, 87, 88, 89, (89)

Psalm 90, 91, 92, 93, 94, (94), 95, 96, 97, 98, 99, 100, 101, 102, (102), 103, 104, (104), (105), (106), 106, (106)

Psalm 107, 108, 109, 110, (111), 111, (112), 112, (113), 113, 115, (115), 116, 117, (117), 118, (118), 119, 120, 121, 122, (122), 123, 124, 125, 126, 127, 128, 129, 130, (130), 131, 132, 133, 134, 135, (135), 136, 137, 138, 139, 140, 141, 142, 143, 144, 145, (146), 146, (147), 147, (148), 148, (149), 149, (150).

  Elohiem of God.

( El ) wordt aangegeven tussen haakjes, het is een afkorting.

-Elowah- is een niet veel voorkomende variant.

“Jehovee” wordt vertaald als God en lijkt heel sterk op de naam van God, ik zette de psalm tussen aanhalingstekens..

Psalm 3, 4, 5, (5), 7, (7), 9, 10, (10), 13, 14, (16), (17), 18, (18), (19), 20, (22), 22, 24, 25, 27, (29), 30, (31), 31, 33, 35, 36, 37, 38, 40, 41

Psalm 42, (42), 43, (43), 44, (44), 45, 46, 47, 48, 49, 50, -50-, 51, (52), 52, 53, 54, 55, (55), 56, 57, (57), 58, 59, 60, 61, 62, 63, (63), 64, 65, 66, 67, 68, (68), “68”, 69, “69”, 70, 71, “71”, 72

Psalm 73, (73), “73”, (74), 74, 75, 76, 77, (77), 78, (78), 79, 80, 81, (81), 82, 83, (83), 84, (84), 85, (85), 86, (86), 87, 88, 89, (89)

Psalm 90, (90), 91, 92, 94, (94), 95, (95), 98, 99, (99), 100, (102), 104, (104), 105, 106, (106)

Psalm (107), 108, 109, “109”, 113, -114-, 115, 116, 118, (118), 119, 122, 123, 132, 135, 136, (136), (139), -139-, (140), “141”, 143, 144, 145, 146, (146), 147, (149), (150).

Adonai betekent Heer en wordt gebruikt om de godsnaam niet uit te spreken. De joden zullen ook steeds jhwh uitspreken als Adonai.

De psalmen tussen haakjes duiden heer aan dat ook zou kunnen gebruikt worden voor een mens, maar hier zekere niet.

Psalm 2, 8, 12, 16, 22, 35, 37, 38, 39, 40

Psalm 44, (45), 51, 54, 55, 57, 59, 62, 66, 68, 69, 71

Psalm 73, 77, 78, 79, 86, 89, 90

Psalm (97), (105)

Psalm 109, (110), 110, (114), 130, (135), (136), 140, 141, (147).

Tsevaot of “der Heerscharen” is een typering van God. God met zijn macht, leger van engelen.

Psalm 24, 46, 48, 59, 69, 80, 84, 89, 103

      de Naam van God…

Psalm 5, 6, 7, 8, 9, 16, 18, 20, 22, 23, 25, 29, 30, 31, 33, 34

Psalm 44, 45, 48, 52, 54, 61, 63, 66, 68, 69

Psalm 74, 75, 76, 79, 80, 83, 86, 89

Psalm 91, 92, 96, 97, 99, 100, 102, 103, 105, 106

Psalm 111, 113, 115, 116, 118, 119, 122, 124, 129, 135, 138, 139, 140, 142, 145, 147, 148, 149.

     Allerhoogste

Psalm 7, 9, 18, 21, 46, 47, 50, 57, 73, 77, 78, 82, 83, 87, 91, 92, 107, 136

De naam die je aan God geeft toont de manier waarop je gelooft. Heer is een heel andere benaming dan Jahweh “Ik zal er zijn”.

Heer duidt vooral op het respect. Het heeft ook een zekere afstand, en tegelijk een vorm van eerbied. Het niet willen uitspreken van zijn naam zegt dat we die God uiteindelijk niet als schepsel, te kennen, kunnen zien. Hij overstijgt onze werkelijkheid.

“Ik zal er zijn of Ik ben er” heeft een meer betrokkenheid. Het noemt een God die meeleeft met zijn volk. Hij is niet enkel de ongenaakbare, maar vooral de God die mee beslist, die er dagelijks is.

God is dan weer afstandelijk, algemeen. We kunnen Hem niet kennen herken je erin.

De Heer der heerscharen verwoordt dan meer zijn macht.

het land van de tempel

Achtergrond bij boek 2, spel 12

Israël: psalm 14, 22, 25, 41, 50, 53, 59, 68, 69, 71, 72, 73, 76, 78, 80, 81, 89, 98, 103, 105, 106, 114, 115, 118, 121, 124, 125, 128, 129, 130, 131, 135, 136, 147, 148, 149

Juda: psalm 48, 60, 63, 68, 69, 76, 78, 97, 108, 114

Jeruzalem: psalm 51, 68, 79, 102, 116, 122, 125, 128, 135, 137, 147

Sion: psalm 2, 9, 14, 20, 48, 50, 51, 53, 65, 69, 76, 84, 87, 97, 99, 102, 110, 126, 128, 129, 132, 133, 134, 135, 137, 146, 147, 149

De stad van God: psalm 46, 48, 50, 87, 101

Sion is de “berg” in de stad Jeruzalem waar de tempel stond (van David, of moeten we zeggen van Salomo?). God heeft daar zijn woonplaats gekozen.

Sion betekent ook de stad waar God zijn vrede zal brengen. We denken aan de eindtijd: Daar zal Hij zijn rijk stichten.

eeuwigheid en eindigheid

Achtergrond bij boek 2, spel 11

Psalmen die spreken van Gods eeuwigheid: palm 9, 10, 29, 45, 48, 66, 68, 90, 92, 102, 103, 135

Gods eeuwige trouw: psalm 18, 37, 45, 48, 73, 100, 105, 106, 107, 117, 118, 121, 125, 133, 136, 138

De eeuwige trouw van de mens: psalm 19, 119

Van eeuwige orde: psalm 33, 78, 89, 104, 111, 119, 132, 148

Van eeuwige lof: psalm 30, 41, 45, 52, 72, 79, 86, 89, 106, 113, 115, 145

Eeuwige hoop: psalm 52,  131

De mens voor eeuwig: psalm 16, 21, 22, 37, 48

De koning, de gezalfde voor eeuwig: psalm 72, 110,

Gebed om eeuwige trouw: psalm 28, 139

In psalm 136 klinkt Gods trouw als een vast refrein, en wel 26 maal. 26 is het getal dat God symboliseert.

Psalm 118 begint met dezelfde refreinvorm, slechts vijf maal na elkaar.

Eindigheid van de vijand: psalm 1, 9, 37, 52, 54, 58, 63, 68, 92, 94

Gebed om eindigheid van de vijand: psalm 83

Eindigheid van de mens: psalm 22, 31, 39, 49, 88, 89, 90, 102, 103, 119

Oud en nog fris: psalm 92

afgoden en ongeloof

Achtergrond bij boek spel 10

Het symbool van de stier gebruik ik zowel voor afgoden als voor “goddelozen”.

Afgoden zijn duidelijk. Met het woord goddelozen begeef ik me echter op gevaarlijk terrein. Het zijn meestal die mensen die zich niet houden aan Gods voorschriften. Het is de onrechtvaardige die hiermee genoemd wordt en niet die mens die niet in God gelooft. Uit de praktijk van hun leven zie je dat ze God niet nodig hebben of opzij laten liggen.

Tegelijk wil ik het hier ook hebben over de goden in verschillende psalmen genoemd. Dit zijn waarschijnlijk heel oude psalmen. Ze kiezen voor die ene God, maar sluiten het bestaan van andere nog niet uit. Het kan ook echter een verwijzing zijn naar de machthebbers, die zich als goden gedragen…

Afgoden: Psalm 4, 24, 31, 97, 106, 115, 135.

Goden: Psalm 16, 29, 50, 81, 82, 86, 89, 95, 96, 135, 136, 138.

“goddelozen”, in andere vertalingen als “die kwaad doen”, “de boze”, enz.: psalm 1, 3, 7, 9, 10, 11, 12, 17, 26, 28, 31, 32, 34, 36, 37, 39, 50, 55, 58, 68,73, 75, 91, 92, 94, 101, 106, 109, 112, 119, 129, 139, 140,141, 145, 147.

De leugen” wordt genoemd in psalm 4, 5, 10, 12, 35, 52, 59, 62, 63.

De zonde komt voor in psalm 19, 25, 32, 36, 38, 39, 40, 51, 59, 65, 78, 79, 85, 89, 90, 103, 107, 109, 130.

“Opstandig zijn tegen God” komt voor in psalm 2 en 5.

“Er is geen God” hoor je in psalm 10, 14, 53.

De vraag “waar is je God” klinkt in psalm 3, 42.

1.:Daar tegenover staat duidelijk het kiezen voor één God, de Bijbelse God van Abraham, Mozes…

Psalm 18, 35, 71, 73, 75, 83, 86, 89, 96, 97, 113 snijden dat thema aan.

Er zijn echter ook andere psalmen:

In psalm 36 staat dat goden en mensen bij God mogen schuil gaan…

God staat boven de andere goden: in psalm 50, 82, 89, 95, 96, 97 en 135.

De andere goden zijn gewaarschuwd: in psalm 16.

De andere goden moeten God erkennen: in psalm 29.

De andere goden zijn maar prutsers: in psalm 31 en  96.

De andere goden zijn slechts gemaakt: in psalm 115 en 135.

De andere goden zijn leugengoden: in psalm 4.

In psalm 82 worden wij goden, zonen genoemd.

God wordt bezongen, de andere goden mogen kijken in psalm 138.

vragen bij de vleet

Achtergrond bij boek 2, spel 9

De woestijn is een plaats om te zoeken wie God is, wat de mens uiteindelijk is. Een vastzitten en piekeren.

De psalmist stelt net zoals wij soms vragen. Het zijn vooral levensvragen.We bekijken samen de verschillende vragen die hij zich stelt:

Naast de talloze vraag om gered te worden en je natuurlijk kunt zien in elk smeekgebed heb je nog andere vragen:

Vragen hoelang deze toestand nog zal duren:Psalm 6, 13, 35, 42, 74, 79, 80, 89, 94

In psalm 6 vraagt de bidder zich waarom God nog niet tussen komt.

In psalm 13, 35 en 94 vraagt de smekende hoelang God de vijand maar laat begaan.

In psalm 13 wordt tegelijk de vraag gesteld hoelang God zich nog verborgen zal houden.

In psalm 74 klinkt het nog harder: Begrijp je dan niet God dat die onrechtvaardige Je openlijk uitlacht door zomaar verder te kunnen gaan.

In psalm 79, 80 en 89 wordt er gevraagd hoelang God nog zijn volk zal straffen. Worden ze dan nooit meer gered?

Psalm 80: Zelfs als zijn volk bidt tot God?

In psalm 89 wordt er tevens gevraagd hoelang God nog verborgen zal zijn.

In psalm 42 vraagt de psalmist wanneer hij God zal mogen ontmoeten.

De vraag waar God blijft:

Psalm 10, 13, 22, 42, 88

In psalm 10, 13 en 22 komt die vraag vanuit de grote ellende waarin de zanger zich bevindt.

Psalm 22 en 88 vragen zich af waar Gods liefde van weleer blijft.

In psalm 42 komt de vraag vanuit een verlangen naar de Heer.

In psalm 30 vraagt men zich af wat God eraan heeft om zijn dienaar verloren te laten gaan.

Psalm 77: Is het gedaan met Gods liefde?

Verschillende waarom vragen: Psalm 10, 22, 42, 43, 44, 69, 74, 79, 88

In psalm 10 heb je verschillende waaromvragen tegelijk:

Waarom mag de boze dit doen?

Waarom mag die boze op die manier de geboden en ook God openlijk belachelijk maken?

En waarom doet God niet? Hij kiest toch voor de arme?

Hij zal hem toch niet vergeten?

En waarom God zo verborgen blijft als het moeilijk is?

Psalm 74 vraagt zich ook af waarom God niet voor zijn volk kiest.

Waarom ze zomaar kunnen spotten met God hoor je in psalm 10, 74, 79

In psalm 42 en 43 vraagt men zich af waarom de ziel zo wanhopig is vol zelfbeklag.

In psalm 43, 74 en 88 klinkt luid de vraag waarom God me verstoot. Wat ik misdaan heb om in zo een ellende te moeten voortdoen.

In psalm 44 wordt er geprobeerd om God te overreden: Waarom slaap Je nog? Waarom vergeet Je ons? God is toch diegene die ons liefheeft?

In psalm 69 is er de vraag waarom er zoveel ellende is.

In psalm 88 herken je nog een andere waaromvragen: Waarom heeft God de mens geschapen? En als de mens dan dood is, heeft God daar iets aan?

In psalm 88 herken je nog een andere waaromvragen: Waarom heeft God de mens geschapen? En als de mens dan dood is, heeft God daar iets aan?

De vraag wat de mens eigenlijk is: Psalm 8 en 144 vragen zich af waarom God zo nadrukkelijk voor de mens kiest.

Ook God durft vragen te stellen:

Psalm 50 toont een God die ons ter verantwoording roept: Wat durf jij over mijn wet te zeggen? Denk je dat ik ben zoals jij?

In psalm 82 vraagt God hoelang de goden, de machthebbers nog onrechtvaardigheid zullen verkiezen boven de zorg voor de armen.

Een vraag is een levensvraag. Desnoods zonder er van overhoop te liggen.

Een aantal van die vragen doorheen het psalmboek:

Psalm 2: Waarom zijn mensen toch opstandig?

Psalm 14, 53: Zou de onrechtvaardige echt niet weten dat hij dit niet mag?

Psalm 15 en 24: Wie zou er bij God mogen zijn?

Psalm 18: Wie zou nog zo betrouwbaar zijn als onze God?

Psalm 19: Wie kent al zijn fouten?

Psalm 27, 49: Waarom zou ik vrezen als God met mij is?

Psalm 39: Wat heb Je nog met me voor, God?

Psalm 50, 51: Zou God die offers wel willen?

Psalm 55: Wie doet nu zijn broer kwaad?

Psalm 58: Rechters, zijn jullie wel goed bezig?

Psalm 64: Wie brengt de perfecte misdaad aan het licht?

Psalm 77: Wie is zo groot als onze God?

Psalm 78: Zou God voor ons zorgen?

Psalm 90: Wie heeft er werkelijk ontzag voor God?

Psalm 94: God luistert toch wel?

Psalm 101: Hoe kan ik zuiver leven?

Psalm 108: Wie brengt mij naar het geluk?

Psalm 114: Waar heeft de natuur ontzag voor, naar Wie luistert zij?

Psalm 115: Waarom zeggen de mensen: Waar is je God?

Psalm 119: Hoe kan men vrij blijven van schuld?

Psalm 121: Van wie komt mijn hulp?

Psalm 127: Waarom je zorgen maken om dagelijks brood?

Psalm 137: Hoe zouden wij kunnen zingen in deze ellende?

Psalm 139: Zou ik niet tegen die zijn die tegen God is?

Psalm 147: Wie is bestand tegen God?

alleen bidden of samen?

Achtergrond bij boek 2, spel 8

De volgende psalmen zijn van een eenzame bidder: psalm 2,3, 4, 5, 6, 7, 9, 11, 13, 14, 16, 17, 18, 19, 20, 22, 23, 25, 26, 27, 28, 30, 31, 32, 34, 35, 36, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 45, 49, 51, 52, 54, 55, 56, 57, 59, 61, 62, 63, 64, 69, 70, 71, 73, 77, 84, 85, 86, 88, 89, 91, 92, 94, 101, 102, 103, 104, 108, 109, 110, 111, 116, 118, 120, 121, 122, 123, 129, 130, 131, 138, 139, 140, 141, 142, 143, 144, 145, 146

Deze psalmen vernoemen een groep die bidt: psalm 21, 33, 44, 46, 48, 60, 66, 67, 74, 75, 79, 80, 90, 95, 106, 115, 124, 126, 137, 147

De mens die alleen bidt: Zie Boek 1, spel 3 bij de achtergrond.

Waar er samen gebeden wordt: Zie boek 3, spel 2 bij de achtergrond

In één psalm heb je geregeld een wisseling van stemmen. Nu eens is de ik-figuur aan het woord en even later kruip je zelfs in de verwoording van de vijand of de onrechtvaardige. Plots kan dan God aan het woord zijn.