vasten 5 c

naar psalm 126

Jes.43,16-21       Filippenzen 3,8-14          Joh.8,1-11

 

De Heer bracht over zee en golven een thuis.

Doorheen zonde en uitsluiting bracht Jij toekomst.

Het verleden laten wij achter ons

want wij zien een toekomst,

een toekomst met Jou.

Wat zien wij vreugdevol uit, onze tranen zijn getroost.

Alles laat ik achter me, slechts Jou kan mij ik maken.

Wat was het geweldig in het verleden,

gered uit Babel, gered uit Egypte,

gered uit onze misstappen,

gered uit ons zoeken naar wat niets waard is.

Jij maakt ons nieuw!

Jij zal ons ook niet veroordelen, maar toekomst geven.

De belagers druipen één voor één af.

Geweldig is het, Jij, onze God,

perspectief waaruit mij mogen leven!

 

Breng ons eens thuis,

laat ons worden zoals Jou.

Laat ons gaan bevrijd van lasten,

een nieuw bestaan wacht op ons.

Wees als een stroom doorheen de steppe,

levengevend in de woestijn.

Die gevangen zitten in een kring van veroordeling

krijgen niet één steen naar het hoofd.

Vergeving en Barmhartigheid is het antwoord op misstap.

Geladen met zorgen waren we vertrokken,

weg van Jou, weg van thuis.

En nu mogen we terugkeren.

Laat ons samen belijden: Jij bent toekomst!

Zelfs wilde dieren erkennen:

Jij bent onze God!

Advertenties

vasten 4 di

naar psalm 46, 2-3.5-6.8-9

Ez. 47,1-9.12      Joh. 5, 1-3a.5-16

 

De Heer is voor ons genezend water.

Vanuit Zijn tempel, Zijn genade

stroomt levend water ons tegemoet.

Hij zal ons redden,

ons doen opstaan aan de waterkant

en ons planten als bomen

die veel vrucht mogen dragen.

 

Nooit meer bang, gezegend!

Een stroompje vanuit Zijn genade

wordt een grootse rivier,

uitmondend in een ware zee.

 

Hij woont in onze stad, in ons hart,

verkwikking steeds opnieuw!

God wil in ons geestdriftig aan het werk.

Waarom zouden we nog wachten

op een rimpel in het water,

als Hij in ons stuwend nabij is?

Waarvoor zouden wij van elders hulp verwachten?

Van Zijn vruchten mogen we eten,

Zijn bladeren zijn ons tot genezing,

een enkel woord is genoeg.

Wij staan op en nemen ons bed op

en zij mogen dat weten!

Zij mogen zien wat God ons doet:

Wonderen van nabijheid!

vasten 4 ma

naar psalm 30, 2.4-6.11-12a.13b

Jes. 65, 17-21                    Joh. 4,43-54

 

Ik zal Je in mijn hart dragen en uitdragen

want Jij genas mijn kind.

Een nieuw Jeruzalem,

een nieuwe thuis is in ons geboren!

 

Geween en geschrei worden niet langer gehoord,

wrevel en vijandschap is verleden tijd.

Uit het doemrijk heb Je mij gehaald,

mij verlost van dieperik.

Ik, hofbeambte, ben voortaan Jouw dienaar,

herboren, geen grijsaard meer!

 

Laat de Heer toe in je leven, al wie gelooft,

geloof op één enkel woord!

Breng dank, Kana en Kafarnaüm,

Wees een bruiloftsfeest, een dorp van mensenvissers!

Het oude is niet langer,

open gebloeid in Zijn barmhartigheid!

Gisteren nog stervend en geween,

koortsig en verstoten,

vandaag rijdans en vreugde!

 

Nabije, wees nabij, ik bij Je!

Geef mij een woord van bevrijding.

En mijn slapeloosheid wordt een Jouw gedenken,

mijn putmoment een bergervaring.

Ik zal Je in mijn hart dragen en uitdragen

al mijn levensdagen.

vasten 4 c

naar psalm 34, 2-6

Jozua 5,9a.10-12              2Kor. 5,17-21     Lc. 15,1-3.11-32

 

Voor God zal ik lof zingen iedere dag,

Hij bracht ons naar het vruchtbare Kanaän,

Hij bracht ons verlossing uit ons zondig zijn.

Hem eren doe ik vele keren op een dag,

telkens als ik eet van de vruchten van de aarde,

telkens als ik aan Jezus denk.

En als ik Hem even vergeet,

dan weet ik dat Hij op uitkijk staat

om mij weer te ontvangen.

 

Wat ben ik blij met God,

Hij geeft me telkens weer een ring en een mantel,

Telkens is het feest als ik naar Hem terugkom.

Dat ieder het hore:

de jonge zonen die verdwaald zijn,

en de oudste zonen die denken beter te zijn.

 

Zing lof voor God,

met je handen, met je voeten, met je stem!

Zing samen met mij lof voor God!

Laat ons samen zijn als broers,

als één volk weg uit de woestijn,

als kinderen die leven mogen in Zijn Barmhartigheid.

 

Ik kwam terug naar de Vader

en Hij heeft mij aanvaard en mij hersteld.

Bij Hem mag ik wonen in Zijn heil.

Gered ben ik van eigen zondigheid.

Vertrouw op de Heer en je zal zaligheid kennen.

Hij is immers voor ieder een Vader.

 

Wie roept in nood, en van ellende eten uit troggen,

wie roept in zijn schuldig zijn:

Hij komt nabij en redt,

zo immers is Zijn Naam.

vasten 3 wo

naar psalm 147, 12-13.15-16.19-20

Deut. 4, 1.5-9    Mt. 5, 17-19

 

Loof de Heer, Sjema Israël,

telkens als je jouw deuren binnengaat,

telkens als je de riemen van gebed aandoet,

telkens ook zonder uiterlijke tekenen.

 

Breng aan God eer

door je aan Zijn verbondenheid te houden,

door te leven naar Zijn droom.

Want Hij brengt zegen en vrede achter je deuren,

nabijheid binnen jouw muren.

 

Hij laat Zijn wet heersen over heel de aarde,

Zijn woord doet Hij gestand.

Vervulling brengt Hij als sneeuw die heel het landschap wit maakt.

Rijm stolt Hij na de nacht als teken dat Zijn bron er voor altijd is.

Geen jota, geen haaltje laat Hij na.

 

Hij is het die wet en profeten gezonden heeft

om te getuigen van Zijn goedheid,

om ons op te roepen tot geluk.

Zo lief heeft Hij ons dat Hij niet toegeven zal

ook maar één stukje van Zijn puzzel te laten vallen.

Zo lief dat Hij niet één van ons laat vallen.

 

vasten 3 di

naar psalm 25, 4b-5b.6-9

Dan. 3, 25.34-43               Mt. 18, 21-35

 

Heer, toon mij de weg ten leven,

Leer mij naar Jouw voorbeeld barmhartig zijn.

Vul mij met Jouw liefde

opdat ze opborrelen kan en aanstekelijk zijn.

Jij bent en blijft mijn God.

 

Gedenk de belofte aan Abraham,

maak ons tot een vruchtbaar volk.

Ontferm Je over ons eerlijk pogen,

over onze wil om op Jouw pad te gaan.

Aanvaard onze gaven.

 

Laat mijn zondig zijn geen belemmering zijn

voor Jouw genade,

vergeef me zoals ook ik aan anderen vrijschenk.

Gedenk Jouw scheppen en nabijheid.

We zijn onder Jouw ogen

maar een kleine gemeenschap geworden,

dit vanwege ons dwalen.

 

In Jou en door Jou is er gerechtigheid.

Spreek ons aan om zelf ook in het recht te durven staan.

Wij zijn nooit schuldeisers gezien we zelf schuld dragen.

Jij leidt ons over kwijtschelding heen

naar het rechte pad.

Jij doet ons weer schenken en leven.

 

vasten 3 ma

naar psalm 42, 2-3; 43,3-4

2 Kon. 5, 1-15a                  Lc. 4,24-30

 

Zoals het hert zoekt naar stromend water

zo mogen wij zoeken naar Jouw gezicht.

Als we maar je vinden willen

daar waar we leven,

in het gewone dat we ontmoeten.

 

Ik zoek vaak te ver,

in grote wonderen,

en vergeet het grootste wonder:

het leven, hier en nu in verbondenheid.

 

Ik dorst naar genezing,

mijn huid verlangt Jou te ademen,

gereinigd van nieuw.

Ik dorst vooral naar Jou.

Zal ik Je herkennen in mijn naaste,

zal ik Je ontmoeten in de natuur?

Zal ik Je erkennen in mijn leven?

 

Zend mij Jouw licht in mijn eigen stad.

Toon me Jouw berg in mijn platte land.

Leid me naar Je tent in mijn eigen huis.

Dan zal ik Jou vieren waar ik ook ben,

Jij, meer dan profeet, Jij leven!

Dan zal ik Je ademen en zingen

in mijn dagelijks bezig zijn

en in mijn rusten.

vasten 3 ?

naar psalm 95, 1-2.6-9

Ex. 17, 1-7           Joh. 4, 5-42

 

Ik nodig je uit om God te loven.

Te loven de bron van ons bestaan,

de rots van vertrouwen.

Laten we voor Hem zingen,

ons vertrouwen op Hem stellen.

Hem te eren met het lied dat ons leven leidt.

 

Ik nodig je uit om bij Hem neer te zitten

aan de put van de verzameling,

naar Hem te verlangen,

ons levend water.

 

Ik nodig je uit om tot ontzag te komen

en niet te twijfelen, niet te morren.

Om met de staf die ons eens uit Egypte bracht

te vertrouwen op de nieuwe morgen.

 

Want Hij is onze herder,

Diegene die ons weer tot waarheid brengt.

Hij is het die op het heetste van de dag

ons een verkwikkende nieuwe morgen aanbiedt.

 

Luister toch en vertrouw ook als je Hem niet horen kunt.

Doe niet zoals eertijds in Meriba en Massa.

Hoe kun je twijfelen als Ik je al geleidt hebt tot leven?

Hoe kun je morren als je niets had zonder Mij?

vasten 3c

naar psalm 103, 1-4.6-8.11

Ex. 3,1-8a.13-15               1Kor. 10,1-6.10-12           Lc. 13, 1-9

 

Moge ik leven van Gods bron,

van Zijn brandend braambos is ons,

zo verlangen naar Zijn nabijheid.

Moge ik zoeken naar God,

naar Zijn geestrijk voedsel.

Moge ik blij leven onder Zijn wolk

en Zijn wegen gaan.

 

Bij Hem is vergeving.

Want zijn we niet allen schuldig aan Hem,

staan wij niet allen in ons onrecht?

Zijn wij niet allen die vijgenboom

die weinig vruchten draagt?

Hij schenkt ons nog een jaar en nog één,

kansen honderdvoudig.

 

Hij redt ons weg uit ons Egypte,

ons verslaafd zijn en gebukt gaan onder schuld.

Hij is ons barmhartig.

 

De Heer maakt recht,

Hij hoort onze smeking, ziet ons strompelen.

Hij voert ons over woestijn heen

naar onze thuis.

 

In Hem is recht,

Zijn Naam is “Ik ben er”,

“Nabijheid, nu en voor altijd”,

“Vuur in ons”, “verkwikkend water”.

Hij zegent ons met Zijn warmte en frisheid.

vasten 2 za

naar psalm 103, 1-4.9-12

Micha 7, 14-15.18-20                     Lc. 15, 1.3-11-32

 

Zie op naar God! Dat ik opzie naar de Heer!

Dat ik Zijn Naam mag kennen en beminnen!

Dat ik opzie naar de Heer!

Dat ik Zijn wonderen mag herkennen en koesteren!

 

Hij is het die vergeving schenkt.

Hij is het die zijn verdwaalde kudde weer haalt

van tussen de bomen, uit het woud.

Hij is het die op ons staat te wachten,

klaar met ring en nieuwe mantel.

Hij noemt ons steeds opnieuw: zoon of dochter.

 

Hij brengt ons terug,

weg van de vleespotten van Egypte,

weg van de varkenstrog.

Hij is het die ons omringt met feest en nieuwe sandalen.

 

Hij ziet verder dan onze eis om ons deel,

Hij omarmt ook de trouwe die nog niet toe is aan vergeving.

Nooit worden wij zomaar arbeiders en knechten,

trouw houdt Hij de wacht tot wij terugkeren.

 

Zo groots is zijn barmhartigheid,

tot in het kleinste is Hij ons nabij.

Zo is  onze God:

Hij blijft trouw aan hoe wij ook heten.

vasten 2 vr

naar psalm 105, 16-21

Gen. 37, 3-4.12-13a.17b-28         Mt. 21, 3343.45-46

 

Nood kwam over het land.

On-liefde had zich meester gemaakt.

De broers hadden hun broer verkocht.

 

Wandaad kwam in het land.

De wijnbouwers wilden niet meer werken voor de Heer.

Boodschappers brachten ze om.

 

Armoede en hongersnood dreef hen.

God zond hen tot inzicht.

 

Jozef zond Hij geketend om redder te worden.

Jezus bracht Hij in hun midden.

De Zoon van de wijngaardenier ging naar hen op weg.

 

Gekluisterd, verkocht aan mensenhandel,

Gekruisigd, veroordeeld om machtsbehoud.

Totdat verrijzenis gebeurde.

 

Onderkoning werd hij,

bevrijder van een volk.

Hij is koning en regeert over Zijn land van liefde.

De Vader herstelde zijn land

en had zijn opnieuw bloeiende wijngaard lief.

vasten 2 do

naar psalm 1, 1-4.6

Jer. 17, 5-10       Lc. 16, 19-31

 

Geluk wordt toegezegd

aan wie de geboden van Mozes

en de waarschuwingen van de profeten

niet opzij legt;

aan wie niet vertrouwt op eigen kracht,

ver weg van God;

aan wie niet vreet

en de arme laat bedelen.

 

Geluk wordt toegezegd

aan wie niet steunt op een schepsel

en tegelijk zijn rug toekeert naar God;

aan wie niet achteraf denkt aan zijn zielenheil;

aan wie niet te laat denkt aan zijn broers.

 

Hij is als een boom aan levengevend water,

vruchten zal hij dragen ook al is hij nu nog arm.

Zijn bladeren zullen in de zomer niet vergaan.

Voorspoed en troost is zijn deel.

 

Anders is het met wie niet vertrouwen zou op God,

wie geen rekening houdt met wat menselijk is

en enkel leeft voor zichzelf.

Hij zal dorre steppe zijn, woestijngrond,

zijn vruchten zullen vervliegen in de wind.

 

De Heer waakt immers op het pad van de rechtvaardige,

de weg van zondaars ziet Hij niet eens staan

want die loopt uit op niets.

 

vasten 2 wo

naar psalm 31, 5-6.14-16

Jer. 18, 18-20                     Mt. 20, 17-28

 

Een net spannen ze om me heen,

steeds meer en meer toe genepen.

Ze doen het zonder dat het anderen storen kan.

Anderen brengen wijsheid en onderricht,

Andere woorden klinken,

zodat Jij, God, niet meer gehoord wordt.

 

Breng Jij mij verlossing,

ik die Jouw woorden spreken wil,

die in Jouw dienst mijn leven geef?

 

Vol vertrouwen ga ik de weg die te gaan is,

mijn geest in Jouw handen.

Jij bent mijn getrouwe.

 

Ik weet wat er zal gebeuren,

aan de schandpaal,

opgegeven opdat hun wil zal geschiedden…

Van alle kanten voel ik nattigheid.

Ze willen me weg, me om het leven brengen.

En dit zelfs als ik voor hen leef, voor hen opkom.

 

Toch ga ik de weg in volle vertrouwen,

de derde dag zal verrijzenis brengen.

 

Ik zal niet zoeken naar valse zekerheid.

Niet naar een linkerkant, niet naar een rechterkant.

Ik zal dienen, zo is mijn roeping.

Ik zal de ander optillen en mijn leven geven.

vasten 2 di

naar psalm 50, 8-9.16b-17.21.23

Jes. 1, 10.16-20                 Mt. 23, 1-12

 

Dat Jij lof brengt aan Mij, geen probleem,

dat je Mij vieren wil, doe maar.

Maar offers ten laste van anderen,

en verkwisting van dier en materiaal:

Nee, dat niet!

 

Ik vraag geen grote lasten,

geen brede gebedsriemen en grote kwasten,

geen show!

 

Wat ga je prat op hoe goed je bent!

Wat bazel je in Mijn Naam?

Jij die boven de anderen plaatst,

die op de mooiste plaatsen uit bent!

 

Uit mijn ogen met je boze daden!

Ga je wassen, bekeer je!

Denk je misschien dat ik net zo ben als jij?

Jij bent geen rabbi, geen meester, zelfs geen leraar

en vader klinkt bij Mij ook anders.

 

Ik klaag je aan!

Breng offers door je nederig ten dienste te stellen!

Door het op te nemen voor de verdrukte,

door wees en weduwe bij je op te nemen.

Ik zal je reinigen, tot blank als wol

zodat je Mijn wegen kunt gaan.

vasten 2 ma

naar psalm 79, 8-9.11.13

Daniël 9, 4b-10                  Lc. 6, 36-38

 

God, Jij staat in Je recht:

Wij hebben niet naar Jouw profeten geluisterd.

Wij hebben tegen Je gezondigd.

Schenk ons Je vergeving,

mogen we Jou kennen in Jouw Barmhartigheid.

Wij zijn maar zwakke mensen,

verspreid ver weg afgedwaald van Jouw liefde.

 

God, help ons,

Veroordeel niet, bevrijd ons van ons te vlug oordelen en veroordelen.

Bevrijd ons en doe ons woorden van bevrijding spreken.

Laat weten dat Je onze God bent.

 

Tot Jou klinken alle stemmen

van mensen die beoordeeld, veroordeeld en gevangen zitten.

Tot Jou klinken wij

die weerbarstig niet leefden naar Jouw genade.

Spreek vrij, maak ons opnieuw tot Jouw volk,

schenk ons Jouw genezende liefde,

een gestampte, geschudde en overlopende maat.

Dan zullen we weer kunnen leven en geven.

Dan zullen wij weer kunnen zingen:

Jou tot lof voor altijd.

vasten 2c

naar psalm 27

Gen. 15, 5-12.17-18        Fil. 3,17 – 4.1       Lc. 28b-36

 

De Heer is mijn licht, ook in de donkere nacht.

Hij is mijn God en niet mijn eigen vraatzucht.

Hij is het licht en mijn veiligheid,

een fakkel in mijn angsten.

 

Wil toch mij troosten en herscheppen,

geef mij een ervaring op de berg

om aan vast te houden in tenten van dierbare herinnering.

 

Heer, met schroom wil ik naar Je opkijken,

Jouw lichtend gelaat in mijn leven opnemen.

Ontneem me toch niet van geluk,

doof het licht niet en de hoop.

Ik weet dat ik tekort schiet

en te dikwijls door slaap ben overmand.

 

En toch ben Jij mijn licht, mijn helper.

Verlaat me niet.

Hoe graag zou ik kunnen horen

“Dit is Mijn Zoon”

Hoe graag zou ik getuige zijn op de berg.

 

Zie uit naar herschepping in Hem,

Wees moedig en verlang

met de maatstaf van Zijn verlangen

om jou gelukkig te maken!

 

vasten 1 za

naar psalm 119, 1-2.4-5.7-8

Deut. 26, 16-19                 Mt. 5, 43-48

 

Zij varen wel die goede wegen gaan,

die geboden en bestemming volgen.

Zij kennen geluk die liefhebben kunnen,

die zelfs vijand zoeken te beminnen.

Welvaart in hart en ziel

voor wie leeft naar Gods droom,

Zalige hunker

voor wie naar Hem opziet.

 

Jij hebt ons leven gegeven,

om te leven.

Jij hebt ons uitgeschreven

hoe wij geluk kunnen vinden.

Mag ik Jouw weg volgen,

leven vanuit Jou: Leven.

 

Ik zal Je zoeken

zoals Jij mij zoekt.

Ik zal zoeken te beminnen

naar Jouw liefde.

Aan Jouw recept wil ik mij houden:

Het maakt geluk.

Nooit alleen, deel van Jouw volk,

geliefd en gekend:

welvaart!

vasten 1 vr

naar psalm 130,1-8

Ez. 18, 21-28       Mt.5, 20-26

 

Vanuit mijn zondig besef roep ik tot Jou,

luister naar mijn smeken,

kijk naar hoe ik poog om terug op de rechte weg te geraken.

 

Als Jij nooit vergeving schenken zou

zou geen mens in Jouw gerechtigheid nog staan.

Jij roept ons op om radicaal te kiezen,

om ons te verzoenen met broer en zus.

Jouw rechte weg kunnen wij niet aan zonder Jou.

Jij vraagt ons meer te kiezen

dan geleerden in de schrift en de praktijk.

 

Gelukkig ben Jij

voor wie het rechte pad weer zoekt

een vergevende God.

Daarom blijf ik Je zoeken.

 

Op Jou steun en leun ik,

geen “dwaas” en “raka” kome uit mijn mond.

Zo verlang ik rechte wegen te gaan,

recht naar Jou.

 

Want Jij bent zo barmhartig,

Barmhartig is Jouw naam.

Jij zal ons verlossen

van kronkelpaden en gevangenis.

 

vasten 1 wo

naar psalm 51, 3-4.12-13.18-19

Jona 3,1-10         Lc. 11,29-32

 

God, gedenk me toch,

kom niet te na mijn afbreuk aan Jou!

Ik roep voor mezelf een vasten af,

een ommekeer naar Jou.

Laat mijn verdorvenheid

in Jouw nabije liefde plaats maken

voor bekering.

Ik zit in het stof met gescheurde kleren,

zuiver mij en kleedt mij opnieuw.

 

Herschep mij zodat ik oor heb naar Jou,

Jij, zoveel meer dan Salomo.

Maak mijn voeten steevast

dat ze naar Je toe kunnen.

Zend me niet heen in mijn eigen ellende.

Laat Jouw oordelen geen wegwerpen zijn.

Sterk in mij Jouw Geest.

 

Met geschenken zal ik niet komen,

alles is immers van Jou.

Wat ik offer is mijn erkennen fout te zijn,

mijn in zak en as zitten

en hopen op een nieuwe dag in Jou.

Al van de eerste dagreis in Nineve zag Jij berouw,

Al van die eerste dag ben Jij de mens nabij.

vasten za. na Aswoensdag

naar psalm 86, 1-6

Jes. 58, 9b-14    Lc. 5,27-32

 

Luister naar mijn vragen, aanhoor mijn gebed:

Ik ben de arme die hongert, ik vertoef in dorre streken,

ze maken me zwart.

 

Luister naar mijn vragen, aanhoor mijn gebed:

Ik ben de tollenaar die steeds zoekt naar winst.

Ik eet en drink van de tafel van de arme.

 

Luister naar mijn vragen, aanhoor mijn gebed:

Ik ben de man met de dreigende vinger,

gekend om mijn kwaad spreken.

 

Ik zoek naar Jou en vraag om ommekeer.

Laat me Jouw dienaar worden.

 

Jij bent mijn God, mijn bron, mijn bressendichter.

Ik roep Je of durf Je niet aan te spreken,

Ik hunker naar verandering.

Schenk me genade, maak mijn nacht tot volle middag.

Laat me Jouw disgenoot zijn,

Ik zie in verlangen naar Je uit.

 

Jij bent toch mij nabij,

vol erbarmen voor wie naar Je zoekt.

De sabbat moge mijn vreugde zijn.

Mag ik Je kleine bressendichter worden?

Luister toch naar mijn vragen,

aanhoor mijn gebed.

 

vasten vr. na Aswoensdag

naar psalm 51, 3-6a.18-19

Jes. 58,1-9a        Mt. 9, 14-15

 

God, gedenk mij vol erbarmen,

laat mijn vasten een weggaan zijn uit onrecht.

Herschep mij tot een mens die boeien breekt,

maak los mijn geketend zijn in zondigheid.

 

Ik weet dat ik nog steeds zoek naar eigen voordeel,

dat mijn vasten nog te vaak aandacht zoeken is van Jou.

– ik vast en nog ziet Hij niet naar mij –

Dat is mijn afdwalen:

dat ik te weinig omzie naar mijn naaste;

dat ik Jou te weinig herken in mijn buur.

 

Jij vraagt geen slachtofferrol

Jij vraagt feest in Jouw aanwezigheid.

Jij vraagt ommekeer

als we Je niet meer als bruidegom erkennen.

Wat ik Je geef is

brood voor de arme, onderdak voor de zwerver,

kledij voor de naakte en vrijheid van onrecht en verdrukking.

Wat ik Je geef is

zoeken naar Jou en recht doen aan mijn naaste.

 

vasten do. na Aswoensdag

naar psalm 1,1-4.6

Deut. 30,15-20                  Lc.9,22-25

 

Geluk voor de mens

van wie het hart niet afdwaalt,

die zich niet laat verleiden,

die niet buigt voor vreemde machten.

 

Geluk voor de mens

die niet zoekt zijn leven te behouden,

die Hem volgt en zijn kruis opneemt.

 

Hij zal leven en zegen kennen.

Hij zal wonen in Gods genade.

Zelfs zijn kinderen zullen genieten

van Gods grond om op te leven.

Talrijk zullen ze zijn die zijn naam dragen.

 

Die zich niet houdt aan de geboden

zal vloek kennen.

Zij zullen hun leven niet behouden.

Want God heeft lief die aan Hem gehecht zijn,

maar dwalenden verliezen hun leven.

vasten 1c

naar psalm 91, 1-2.10-15

Deut.26,4-10     Rom. 10,8-13     Lc.4,1-13

 

Jij die me land geeft om te wonen,

Jij die me weghaalt uit de verdrukking,

Jij in wiens liefde ik mag vertoeven!

Jij laat niet één van ons verloren gaan!

Wij danken Je.

 

Het kwaad zal ons niet raken

als wij in en met Jouw verbonden zijn.

Geen honger, geen machtzucht, geen waanzucht

zal ons overkomen.

Zijn boodschappers zullen ons opvangen

zolang wij het geluk niet tarten.

Grote gevaren zal Hij voor ons trotseren

als wij met geheven handen Hem aanbidden.

De woestijnslangen zijn niet langer een gevaar,

land van melk en honing wenkt.

Geen machten zullen ons doen wankelen.

Wie op Hem vertrouwt zal staande blijven.

Ik zal niet wijken van Zijn liefde,

beproeving haalt het niet.

 

Ik ben Je God die je ook vandaag wegleidt,

voor Mij ben je geen vreemdeling, nooit.

Aswoensdag

naar psalm 51,3-6.12-14.17

Joël, 2, 12-18                     2Kor. 5,20 – 6,2                 Mt.6,1-6.16-18

 

God, denk aan me in Jouw genegenheid,

neem mijn zonde van me weg.

Ik keer tot Je terug met heel mijn hart.

Reinig me!

 

Ik ben bereid tot vasten,

tot de verzoening met Jou.

Ik erken – niet voor de ogen van mensen –

maar voor Jou dat ik misdaan heb.

Misdaan aan Jou,

schenk me genade, laat ze niet tevergeefs zijn.

 

Herschep mijn hart, ik scheur het voor Je open.

Steun mijn vasten, bidden en aalmoezen geven.

Spaar mij, spaar Jouw volk.

Vader, ga niet van mij weg.

 

Laat me weten dat de tijd van gunsten is aangebroken,

Jij die in het verborgene ziet.

Open mijn lippen, laat me de bazuin blazen

om een heilvolle vastentijd aan te kondigen!

 

herverpsalmen 10c

Waarom kan het in Jouw schepping

dat mensen anderen uitbuiten en misbruiken?

Waarom is het zo dat mensen zo ongevoelig worden voor het leed van anderen?

Waarom is bezit en geld zo aanlokkelijk?

Waarom kan het?

Zoveel mensen doen maar, ze leven maar,

op de kosten van de armste.

Ze hebben geen problemen.

Ze maken winst.

Ze hebben niemand nodig, God die is er niet…

Ze leven al god in Frankrijk, ten koste van…

Waarom kan dat?

Zo heb Jij het toch niet gedroomd!

Je bent een God voor ieder mens,

de arme vindt bij Jou bescherming.

Laat die hardheid toch ophouden!

De weerloze vertrouwt op Je!

Sta op, geef antwoord!

herverpsalmen 10b

Waarom, mijn God, zo verborgen

als we Je het meeste nodig hebben?

En de gewetensarme gaat maar door,

als een pletwals,

en hij is er nog fier op ook.

Niets kan hem raken!

Hij ligt in een hinderlaag

wachtend tot zijn geld opbrengt.

De arme moet het weer ontgelden.

Hij spreekt over cijfers, mensen tellen niet.

God, sta op!

Doe toch mensen opstaan!

Dat hij vast rijdt.

Zoiets kan toch niet straffeloos?

Jij vergeet toch de arme niet?

Ze staan voor Jou met lege handen!

Doe recht,

wees er voor elke verdrukte mens!

herverpsalmen 5b

Als een tegenrefrein,

een antwoord op Jouw

“Luister Israël “:

Luister God…

Van ’s morgens vroeg

kijk ik al naar Jou uit.

Geen wrok of haat

krijgt in Jou plaats.

Jij laat ons binnen in Je overmatige liefde

om zelf ook die uit te stralen:

geen scherpe tongen meer,

geen achterklap,

geen “ik beter dan de ander”.

In Jou is vreugde

en kracht te vinden

om er te zijn voor elkaar,

voor alle broers en zussen,

voor Jij, die onze Vader bent.

herverpsalmen 1b

Als je geluk zoekt: ga er dan voor!

Kies radicaal!

Geen leugens, geen onrecht,

geen spot die kwetst en monddood maakt.

Radicaler!

“Wie Mij wil volgen moet zijn kruis opnemen.”

“Ik ben de weg, de waarheid en het leven.”

Wie die weg gaat

zal open bloeien, zalig zijn,

zal zich één voelen met de Heer,

onze levensboom.

Hij zal vruchten dragen

verbonden met de Vader.